Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Tweede tooneel.

Herodes, Narbal.

Narbal, ter zyde. O welke zwaare plaagen! Eén slag heeft alle deugd gelyk ter neêr geslaagen. De eer en standvastigheid, godvruchtigheid en trouw Zyn met die Schoone reeds het leeven kwyt. Herodes. Wat rouw Verdrukt zo wreed uw ziel? Narbal. Helaas! de grootste reden. Herodes. Is Mariamne dood? Narbal. Ach! ja, ze is overleeden. Men sloeg dat waardig hoofd van 't zuiver ligchaam af. . . . . Ter zyde. 't Uitvoeren van den last, en vonnis dat hy gaf, Bestormt met smart zyn ziel: haar dood zal hem doen sterven. 'k Voorzag wel dat hy nooit de Koningin kon derven, Als met zo groot een leed: hy steent, hy zucht en schreit. Tegen Herodes. Keer weder tot u zelf, en uw kloekmoedigheid.

Herodes. Is Mariamne dood? is zy niet meer in wezen? Zy, die myn zon was, en zo blinkende opgereezen, Is maar een schaduw, en die morgenstar, ô smart! Verliest haar glans in het bestraalen van myn hart. Moest dan dit heerlyk licht verdooven en verdwynen? Is 't waar? en kan de zon noch op het aardryk schynen? Men heeft welëer die zien afwyken van haar pad, Alleen uit schrik dien zy voor 't dood'lyk moordmaal had: Is zy van dit gezicht niet schuw noch bleek besturven, Nu zulk een glans die haar gelyk was, is bedurven? O wreede zon! die geen gevoelen hebt noch reên, Gy draagt slechts blindelings 't vergoode licht te leen. Indien de Onsterf'lykheid, welke u, uit vuur en vonken, Een ligchaam schiep, u meê had met een ziel beschonken, Gy zoud gevoeliger zien zulk een treurspel aan, En droevig onder gaan, om nooit weêr op te staan: Dan zou al de aard', met my, dit zwaar verlies beklaagen, En, van uw licht ontbloot, voor eeuwig 't rouwkleed draagen, In zulk een naaren nacht van jamm'ren, daar Natuur Zelf moest verkwynen op het missen van uw vuur, Alom gevoelende myn smarten, druk, en schroomen. De dood heeft Mariamne in zyn geweld genomen; Neen, neen, hy heeft geen magt, daar haare glans gebied. . . Maar, 'k weet zy leeft niet meer: zyn woeste wreedheid ziet Noch jeugd, noch schoonheid aan. Ach! kan 't wel moog'lyk weezen Dat hy reeds heeft vernielt een tempel, waard gepreezen? Een tempel, zo volmaakt als ooit de deugd bezat? Hoe! zou men fluiten zulk een onwaardeerb'ren schat In 't midden van de diepe en akelige graaven? Schat, die de woonplaats is van allerleyë gaaven, Waar in de liefde, en al wat ooit bevallig scheen,

Zich op het sierelykst' vermengen onder een? Hoe! zyn de starren dan verduisterd van haare oogen? 't Aanminnig aangezicht de glans der verf onttoogen? De lely en de roos gedoodverfd, die zo schoon In 't aanschyn stonden van dat hemelsch beeld ten toon? Is dan de schoone ziel van 't schoone lyf ontbonden, En al de wond'ren der natuur verstrooid, geschonden? Hoe! zou voor eeuwig dan die minnelyke mond Geslooten zyn, waar in ik niets dan godspraak vond? En, 't geen myn eigen zelf noch onlangs heeft gescheenen, Zou dit nu niets zyn, en in dunne lucht verdweenen? O neen! dit is een zaak die waarheid heeft noch schyn, En niet geloof'lyk is, noch moogelyk kan zyn. Tegen Narbal. Wat zegt gy? Heeft men dan vernietigt op der aarde Dit proefstuk der Natuur, zo schoon als ze immer baarde! Narbal. Ja, 'k zag dien wreeden slag, in wanhoop, buiten raad. Herodes. Verhaal me omstandig deeze erbarmelyke daad. Ik kan niet twyfelen, en echter 't niet gelooven. Narbal. Wanneer men haar, wiens deugd streeft alle deugd te boven, Het vonnis voordroeg, 't geen haar parste om straks te gaan Uit haar gevangenis, kon elk van schrik pas staan. Behalven haar geduld, dat wist van geen beweegen. Zy, die grootmoedig trad den dood met blydschap tegen, Trotseerende haar lot, betoonde in deezen staat, De minste vrees niet met haar woorden, of gelaat. De aanbiddelyke glans van haar bekoorlyke oogen Bleef even schoon, en wekte in yder mededoogen. De aanminnigheid en vreugd, die 't aangezicht behiel,

Bewees haar onschuld, en gerustheid van haar ziel. Na dat zy dan vernoegd, op d' oever van het leeven, Aan haar vertrouwden haar juweelen had gegeeven, En in 't omhelzen haar, als voor des Hemels troon, Het droevig schreijen, en het volgen had verboôn, Ging zy, kloekmoedig, met een vriend'lyk welbehaagen, Naar het schavot, 't geen zelfs om haar scheen rouw te draagen. Nooit praalde een Koningin der Amazoonen meer, Na haare dapp're daân, in zegepraalende eer, Als zy, beklaag'lyk tot een schandig lot beschooren. Al wie haar volgde, scheen in traanen te versmooren, Ze aanschouwden haar geduld, met ongeduld en smart. Een gantsche meenigte, in dien drang door een verward, Vervloekte 't vonnis, 't geen haar doemde buiten reden. Zy riepen dat haar deugd, versierd met eed'le zeden, Nooit had zo spooreloos, zo vuig een daad begaan: Dat yder druppel bloed eerlang u zelf zou staan Op duizend traanen, en op duizend wreede pynen, Wanneer ze, om wraak, steeds voor uwe oogen zal verschynen. Herodes. Ik voel, ik voel alreeds de kwelling, die zy Met recht voorspeld heeft. Narbal. Elk kreeg meerder medely', Wanneer haar Moeder, die de vrees van 't spoor deed wyken, Haar waare droefheid veinsde, en valsche vreugd liet blyken. Haar vlugge geest, zo vol staatzuchtigheid als list, Om zich te ontschuldigen dat zy van 't kwaad niet wist, Verbergt onmenschelyk dat tedere beweegen, Het welke een Moeders hart heeft van Natuur gekreegen, En toont zich vergenoed in 's Dochters ongeluk. Doch haar standvastigheid, braveerende haar druk,

En 's Moeders kunst, die haar gevoelig kwam ontëeren, Scheen de opgeleide blaam, in 't weggaan, te verweeren Met een genegen lagch, en nederigen groet. Herodes. O welk een medely doorprikkelt myn gemoed! Ik voel myn hart op dit verhaal aan stukken ryten. Hoe! zal een Moeder 't kind, in zulk een stand, verwyten Een misdaad, daar de deugd zelfs voor haar onschuld pleit? Volëind al 't overig'. Narbal. Toen heeft men haar geleid Op 't schandige schavot, daar zy haar zuiv're handen Aandachtig zaamen sloeg, door heilig vuur aan 't branden, En de oogen naar om hoog, met yverende kracht, Beweeg'lyk smeekende de Hemelsche Oppermagt, Om haar onnoozelheid de waereld te openbaaren, Op dat die nimmer mogt haar kroost met schand' bezwaaren, En hen verwyten, 't geen zy nimmer had gedaan. Zy zwoer wel dier, dat zy arglistig was verraân, En door vervloekten nyd beklaagelyk vertreeden; Ja dat zy, tegen recht en buiten alle reden, Was valsch beschuldigt met een daad, die in haar ziel Nooit had gehuisvest, of in haar gedachten viel. Zy riep den Hemel voor haar onschuld, tot getuigen; Geloovende dat die uw zinnen noch zou buigen, Beweegen om te zien haare onschuld, deugd en trouw, Wanneer haar dood uw hart zou doôn, door naberouw. Voor 't laatst wenscht zy dat gy beschermen mogt de Weezen Van een Prinses, wiens hart men nimmermeer zag vreezen Voor 't wreede noodlot; die standvastig lyden kon; Die zonder opspraak leefde, en kloek den dood verwon. Als zy, met yver, dus zichzelf had laaten hooren,

Scheen haar verlangen door de wolken heen te booren; Dies zy aan 's Hemels zorg gaf haare ziel met vreugd, Die vaardig stond om op de vleugels van haar deugd, Te vliegen naar 't gestarnt'. Dus zuiver van gebreeken Stak zy haar hals uit, en hield op van meer te spreeken. Toen sloeg de wreede beul, met zyn bloedgierig zwaard, Het hoofd van 't ligchaam, dat een beter lot was waard; 't Geen al de omstanders bragt wanhoopende aan het weenen. Haar ligchaam wierd straks van een hemelstraal omscheenen. Elks traanen vloeiden onder 't vloeijen van haar bloed. Elk schreeuwde dat het klonk in droeven overmoed, Waar van al 't aardryk, door de weêrgalm, scheen te beeven, Als of 't meê voelde 't groot verlies van zulk een leeven. Zo was het eind van uw doorluchte en kuische Vrouw, Met wie schier yder sturf van medely, en rouw. Herodes. Ach! waar dit niet geschied, of waar ik nooit gebooren! Hoe kon men 't leevenslicht van 't schoonste Schepsel smooren? O nooitgehoord bedryf, zelfs in 't barbaarste land! Ja, een ontmenscht Sarmaat deed nimmer zulk een schand', Die de allerwreedste niet kan denken zonder schroomen, Wie kan zo vuil een vlek afwasschen? welke stroomen, Wat zee heeft nats genoeg? Waar zal ik heenen vliên? In welk een duister hol, daar nooit word licht gezien? Naar welk een hoog gebergt'? wat zal myn schuilplaats strekken, Daar ik myn godloosheid, en gruw'len kan bedekken? Waar zal ik veilig zyn? Kan ik in 't diepst der aard', Om dit misdryf, wel voor den donder zyn bewaard? Waar zoude ik gaan, daar ik van schrik bleeve onbeneepen, En daar ik niet myn hel geduurig meê zou sleepen? Maar ach! verwacht ik dan noch hulp in deezen nood? Hoe! leeve ik noch? kan 't zyn, nu Mariamne is dood?

En volg ik niet, daar my de Schoone is voorgetreeden? 'k Weet immers op wat weg ik zetten moet myn schreeden, Om naar den dood te gaan. Dit staal zal my het hart Doorsteeken, en myn ziel verlichten van myn smart. Tegen Narbal, die hem weêrhoud. Laat af, laat af: ik zal, ik moet terstond beginnen 't Rechtvaardige besluit van myn verwoede zinnen. Of stoot het liever zelf door myn benaauwde borst. Narbal. Ach! keer toch weder van uw wanhoop, groote Vorst. Herodes. 'k Wil in my zelf nu recht aan 't bloed, dat wraak roept, geeven. Hy tast naar den degen van Narbal. Belet myn arm niet, door de wroeging aangedreeven. Narbal. Myn Heer! Herodes. 'k Ben zulk een rouw, en pynlyk knaagen moê. Maak dat zy weder leeve, of sta my 't sterven toe; My, die 't moorddaadig zwaard gaf zelf den beul in handen. Myn mond, gedienstig aan myn woede, tot myn schanden, Sloot, door een enkel woord, haar mond voor eeuwig, ach! Bloeddorste mond, zo wreed als ooit de waereld zag! Ik overtuig u, door 't berouw van myne daaden, Dat gy voorbaarig hebt myn hart en zin verraaden. O Gy, vertreeden Volk, aanschouwers van myn schand', En misdaad, die zo groot een zucht draagt tot uw land, En rechte Koningen! wil uwe drift betoonen Tot straf van deezen moord, dien niemand kan verschoonen: Kom, kom, en wreek, op 't hart van een Tyran, met vreugd 't Volmaaktste Schepsel, en het Voorbeeld van de deugd, Van kuisheid, van geduld, van schoonheid, trouw en reden.

Straf, straf die strenge daad, vol onrechtvaardigheden: Stoot al uw dolken in myn hart: maak een begin. Bevreedig, door myn bloed, 't bloed van uw Koningin, Die ik, door wreeden haat, barbaarisch liet vernielen. Maar gy durft dit niet doen, ô bloode, en laffe zielen! Gy hebt geen lust, om, door getrouwe en dapp're daân, In 's lands gedenkboek tot een eeuwige eer te staan. 't Zoude u mishaagen, dat de volgende eeuw uw leeven, Met onuitwisbaare inkt, vond tot uw lof beschreeven: 't Bewyst haar vrees, en myn geweld op éénen tyd. O Hemel, die aanschouwt hoe dat de Onnoos'le lyd! Wil aan dit snood gewest alle ongeluk verschaffen: Straf dit ondankbaar volk, het welk my niet durft straffen. Geef, geef het over aan het wôen van 't krygsgeweld. Doe tegens hen met kracht optrekken in het veld De grootste en wreedste der Tyrannen, en Barbaaren, Vyanden, die in 't wôen, niets op hun bede spaaren. Zy smooren zonder schrik hun menigten in 't bloed, Hun steden, huizen, en sieraaden in een gloed, Die alles breng' tot asch! Men koome, en sleepe in banden Hun liefste kinders weg! Of dat barbaarsche handen, Die tegens muur en rots verplett'ren, of van een Verscheuren, onder 't bang en hoopeloos geween Der Moeders; daar men ziet de Vrouwen wreed verkrachten In 't oog der Mannen, die tot troost de dood verwachten! Dat pest, en hongersnood uitmergel' al hun kracht! Dat ze onder 't oproer zien hun tempelen, vol pragt Tot aan de grondvest toe vernield, en omgeworpen! En als de wraak noch iets in 't hevige woeden spaart, Uit dit geslacht, welëer zo heerlyk, en zo waard, Laat het dan zyn alleen verachtlyke onderaanen,

Steeds opgeofferd aan hun rampen, smaad, en traanen, Verlaaten van 't geluk, vervolgd van 't ongeluk, Daar zy geduurig, in benaauwdheid, smart, en druk, Nasleepen, buiten hulp, in wanhoop, 't moeilyk leeven; Als slaaven, ballingen der waereld omgedreeven, Vervloekt, verjaagd, vervolgd, daar elk hen overal Gelyk beöoreloge in allerlei geval! Laat op hen regenen pek, zwavel, vuur, en vonken, Op dat hun beemden, in een zee van vuur verdronken, Van vruchtbaarheid beroofd, staan mede uw wraak ten doel! Maak van Jeruzalem een droeven jammerpoel, Een helschen poel vol stank, en die alle oogenblikken, Met haar verachten naam, de waereld kan verschrikken! Myn Mariamne is dood! zy wierd me ontroofd, wat slag! En tot myn wanhoop laat men my het leeven, ach! 'k Smeek u om medely, ô Dood, die 'k plagt te schroomen! Kom, neem 't geheel, daar gy de helft van hebt genomen. Helaas! waar berg ik my?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove