Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Vierde tooneel.

Herkules, Philoctetes, Lichas, Gevolg.

Herkules. O felle vlam! ô helsch vergif! 'k voel duizend dooden, Op yder oogenblik, door uw vervloekte kracht. Moorddaadig kleed, ik kan met al myn groote magt, Schoon 'k vel en vleesch verscheur, u niet van 't lichaam rukken. En gy, vervloekte Vrouw, die, om uw guwelstukken, Verdient de wreedste dood! Gedrocht, waar van ik de aard' Verlost moest hebben, eêr gy had dit kwaad gebaart! Kom, zie nu een Gemaal voor uwe woede zwichten, Ja, een Gemaal, die meer als honderdmaal de schichten Van Junoos gramschap heeft getart: kom, zie uw haat. . . Maar yder vlied myn kwaal, nu alles my verlaat. Ja, vlucht, en vrees vry al de gruw'len te genaaken, Die my omringen, en myn ziel afgrys'lyk blaaken.

Ik sleep alom met my een onuitblusb're hel. 'k Brandde in den tempel, en dat vuur duurt even fel. Van alles dat de vlam schynt vraatig in te zwelgen Word niets verteert, om my op 't pynlykst te verdelgen; Of't is de wil der Goôn, vyanden van een hart 't Welk wanhoopt, dat op nieuw te scheppen tot myn smart. Maar, Hemel! zult ge my niet laaten zo verbolgen, Voor dat ik uitgeput van kracht ben, te vervolgen? Of zo 'k voor uwen toorn moet buigen, en myn straf, Waarom rukt gy my door uw slagen niet in 't graf? Moest, tot vergrooting van myn schande, een Vrouw volvoeren Zo snood een schennis, die licht Juno zal ontroeren? En gy, gy opperste der Goôn, zo 'k ben geteeld Van u, en 't Vaders hart noch in u leeft en speelt, O Jupiter! zo hoor myn schreeuwen, zuchten, klagten. Ik eisch van u niet meer die onverwinb're krachten, Waar door 'k tot in de hel ontzagh verkreeg, als ik Het aardryk met myn naam verbaasde, en sloeg met schrik; En, in den loop van zo veel arbeid, met myn handen Ten troon afbonsde een groot getal van dwingelanden, Den sterken boschleeuw van Nemea overwon, En duizend monsters in hun woede temmen kon, Daar 't gansch heeläl zelfs scheen te sidd'ren op myn slagen. Neen, geef my slechts de dood; die eindige al myn plaagen! De onmenschelyke zorg van Lichas heeft myn hand Ontwapent, en de smart verlengt van deezen brand. O Koningen! die 'k heb beschermt door myn vermoogen, Komt, komt nu herwaarts tot myn bystand aangetoogen. Maar elk is doof op al myn schreeuwen en geklagh, Ja, de aarde en hemel zelfs verklaaren deeze dag My d' oorlog. 'k Moet dan van de hel myn hulp verwerven. Maar ach! die heeft, om my rampzalig te bederven,

De wreede Dianier' geteelt, en al te straf 't Afgrys'lyk vuur dat my dat Menschemonster gaf In dit vergiftig kleed, wiens vlam al de aard' moet schroomen. Ga, zoek haar, Lichas: doe haar daadlyk herwaarts koomen, En zien de gruw'len van haar haat en minnenyd. Philoctetes. Vorst, Kleon, die haar volgde, als ze in een bangen stryd Uit deeze zaal vertrok, kan u te kennen geeven. . . .

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove