Tweede tooneel.
Ladislaus, Theodora, Kassandra, Izabelle.
Ladislaus. O wreed ontzagh! tyran van myn verliefde wonden! Gy, die my steeds hield aan uw dwing'landy gebonden, Weêrhou my niet: wyk voor de liefde, die my blaakt. 'k Wil weeten of myn graf of huw'lyk is gemaakt. Laat aan my ongeduld myn vreugd of droefheid hooren.
Spreek, schoone Vyandin! wat lot is my beschooren? Hebt gy de bliksemen van een vergramd gezicht Tot myn verderf geschikt? Of zal 't geliefde licht, In 't vriend'lyk lonken, myn genade doen verwerven? Wat is 't dat gy besluit? myn leeven, of myn sterven? Kies, kies van beide, of gy myn hart of asch begeert. Word myne min veracht, of van u gewaardeert? Zult gy myn smeeken, of uw fierheid vergenoegen? Zal 't huw'lykslot myn lot aan 't uwe onscheidbaar voegen? Uw schoonheid heelen al myn smarten, druk en pyn? Of uwe weigering myn moorderesse zyn? Kassandra. Spreekt gy, gy zelf my van een huwlyk aan? kan 't wezen! Zoud gy tot Gemaalin begeeren, die voor deezen 't Verachte voorwerp was van uw onkuischen brand? Zult gy wel kunnen, zonder schaamte, schade en schand', Als gy voor koning op uw erftroon zyt verheeven, Elk uw wet ontfangt, uw onderdaanen geeven Zulk een onwaardige en verdachte Koningin, Dat schandig schepsel, zo veracht'lyk in uw zin, 't Geen gy door vuile lust, zocht menigmaal te ontëeren? Ladislaus. Al 't aardryk zal in uw vergoden glans waardeeren Een onbevlekte deugd, zo edel, waar en schoon, Als immermeer stond in een Koningin ten toon, En 't allerminlykst beeld, zo goddelyk in 't blaaken, Dat zy haar Koning tot haar Onderdaan kan maaken. Ik weet myn misdaad; doch gepynigd door berouw, Bid ik, geknield, van u vergiffenis, Mevrouw. 'k Weet tot wat overmaat van onbescheidenheden Myn drift klom, door myn jeugd, gehold van 't spoor der reden; Bekennende dat ik, verblind door 't god'lyk licht
Van uw bekoorlyk en aanbiddelyk gezicht, Niets meer gedenkende als de kracht dier schoone straalen, Vergat myn, en uw eer. Maar wat kan lichter dwaalen Als kinderlyke min, door 't missen van beleid, Zyn onschuld draagende in zyn blinde onweetendheid? Doch, nu 't ontzagh verlicht myne oogen, liefde, en zinnen, Verbant gy my, en wilt dat ik u niet zal minnen. Terwyl uw schoonheid, deugd, en heerelyke stam Weêrhield, uit diep ontzagh, de driften van myn vlam, En al de spoorloosheid van die vermeetle liefde Berispende, heb ik, hoe fel zy my doorgriefde, De hevigheid dier vlam gestuit, en haare kracht, Gebogen, onder uw gehoorzaamheid gebragt, Alleen op hoop van haast met u te zullen paaren. 't Vuur van myn drift, dat uw afkeerigheid kan baaren. Heeft al 't onzuiv're, dat noch by haar was, verteert. Myn hart, gelouterd in uw deugd, die triomfeert, Zoekt geen Meestres in u, maar Gemaalin te vinden, Om my voor eeuwig aan uw schoonheid te verbinden. Ach! staa die toe aan my berouw, 't welk, al het kwaad Verfoeijende, beschaamd myn dwaaling vloekt en haat. Op die voorwaarde wil myn bede en min gedoogen. Beroof my liever 't licht, dan 't licht van uw schoone oogen. Doch zo 't een misdaad is wanneer men u bemint, En nooit uw gunst, als in u niet te minnen, wint, Wil ik dit kwaad steeds doen, ja, al myn leevensdaagen; En liever sterven, als hier in uw wil behaagen. Kassandra. En myn verdiensten zyn onwaardig uwe pyn. Maar, zo 'k uw vlam geloofde oprecht en kuisch te zyn, En dat myn staat zich kon met d'uwen evenaaren, Noch zoude een huwlykslot ons nimmer zaamen paaren.
'k Leed liever ramp op ramp, eêr 'k u nam tot Gemaal. Zo dra ge aan my had stout ontdekt uw minnekwaal, Wierd ik gewaar dat gy myn glory zocht te vlekken Met uw onzuiv're vlam, die in my kon verwekken Zulk een rechtvaardigen misnoegen, vrees, en schrik Voor u, en voor uw dienst, op yder oogenblik, Dat ik die nimmer kan beminnen, noch waardeeren, Uw ondeugd haatende, en onmenschelyk begeeren, Ten trots van uwe liefde, en wreeveligen zin. Doch, zo 't een misdaad is wanneer 'k u niet bemin, Wil ik dit kwaad steeds doen, ja, al myn leevensdaagen, En liever sterven, dan hier in uw wil behaagen. Ladislaus. Wel aan, kom, oeffen nu aan 't voorwerp dat u kwelt, En uw afgryzen baart, Ontmenschte, al uw geweld. Kom, wapen tegens my uw haat, om my te tarten. Met ys en vuur, en al wat myn noch meer kan smarten. Schen Aarde en Hemel op myn min vry aan, en leid Den gantschen Staat en 't volk in uwe afkeerigheid. Maak dat zy my de kroon en 't ryksgebied onttrekken. Doch wat gy immer zult tot myn verderf verwekken, Zo smoort gy nooit myn vlam: 'k blyve echter u getrouw. Schoon 'k eeuwig 's Hemels haat, en d'uwen voelen zou; 'k Zal, hoe verwoed en wreed dat gy my zult verächten, U steeds aanbidden in myn zinnen en gedachten, Ja, om standvastig u myn liefde, trouw en hart Op te off'ren elk ten trots, in weêrwil van myn smart, En droeve wanhoop, daarik word toe aangedreeven, Door duizend dooden, my behouden in het leeven. Theodora. Hoe! wint hy niets noch op het veld van uw gemoed?
Kassandra. Had hy eerst overdacht dat myn doorluchtig bloed Het ongellyk nooit kan vergeeven noch vergeeten, Zo had de spyt zyn hart nu niet van een gereeten. Theodora. Gy straft u zelf, zo gy dus bitter wreekt uw hoon, En gy verliest, met hem, een koninglyke kroon. Kassandra. De kroon zou toch voor my vergeefs zyn hoofd bedekken; Dat hoofd, 't geen 't voorwerp van myn haat zal eeuwig strekken. Theodora. Een eed'le ziel schept in 't regeeren vreugd. Kassandra. Meer leed. De troonen zyn meest van rampzaligen bekleed, Die, onder 't blinkend juk van hun gezagh en staaten, Hun vryheid missen in een drang van onderzaaten. Theodora. Vreest gy een juk dat aan u opdraagt het gebied? Kassandra. 'k Wil Koningin zyn van my zelve, en anders niet. Of, zo ik immermeer myn vryheid mogt verliezen, Een Overwinnaar naar myn zinlykheid verkiezen. Theodora. Te dienen met een kroon op 't hoofd, is dubbel waard Uw vryheid, die gy licht voor slaafscher huw'lyk spaart. Kassandra. 't Kon zyn dat reeds daar van een ander wierd Verwinnaar. Ladislaus. Ja 'k weet het al te wel, en ken myn Medeminnaar: Maar 'k dacht dat zyn geluk by 't myne was te kleen, Als dat ge opweegen zoud, vervreemd van alle reên,
De keur van myne liefde, en zyn vermeetel minnen. Kassandra. Uw staat kan niets op zyn hoedaanigheden winnen. Zyn bloed is 't bloed gelyk daar ge uit gesprooten zyt, En zyn geluk mag 't uwe aanschouwen, zonder nyd. Ladislaus, ter zyde. Dit woord, wreedaardige, is ten kosten van zyn leeven, Dit staal zal in zyn bloed, zo edel, zo verheven, De schuld betaalen van uw trotse hovaardy. 't Is eindelyk de tyd. Kom, kom, verkrachten wy De strenge wetten, die ik wat te lang genegen. O Reden, waar dat ik zo vaak meê raad kwam pleegen! Maak eenmaal dat myn hart de liefde wederstreeft: Laat, laat die sterven, nu myn hoop niet meerder leeft. Tegen Kassandra. Onwaardig Voorwerp van myn zorgen, smart en plaagen! 'k Heb uw ondankbaarheid te lang, te veel verdraagen: Ik had behooren u te kennen, eer 'k zo licht My liet verleiden van uw toverend gezicht; Of niet door smeeken myn verliefde vlam te dooven, Maar de geneezing voor myn smarten u te ontrooven. Doch, tegen dit geweld heeft myn gemoed gestreên. En zulk een braave daad berouwt my niet, ô neen! Myn zinnen, die, nu vry, uw wetten niet meer vreezen, Noch trotsheid, hebben ook myn minnesmart geneezen, En van de onëed'le vlam, die my niet heeft betaamt, Is in myn harte niets meer over dan de schaamt', Die nu de schand' van zulk een min, voor al myn leeven, Heeft op dit voorhoofd met een rooden gloed geschreeven. 'k Was in myn glory dood, zo lang dit laffe hart Aan u zich had verslaaft: maar nu 't uw boeijens tart, Leeft het op nieuw, bevryd van uw onmenschlykheden,
En maakt verbond met myn gedachten, oogen, reden, Om uw gezicht, dat steeds vergifte straalen schoot, Zo zeer te schuwen als 't aanschouwen van de dood. Kassandra. 'k Zal, om u dan niet meer met dit gezicht te plaagen, Van hier vertrekken met een wenschelyk behaagen, En, weetende geheel uw zin, aan u nooit weêr Vertoonen, 't geen gy schuwt; en zorgen voor myn eer. Vaar wel.
Cookies on Poetry Cove