Vyfde tooneel.
Salome, Pheroras.
Salome.
O Hemel, welk een liefde!
Pheroras.
Ach! welk een spoorloos blaaken?
Salome.
Hy schynt betoverd en vergiftigd, ons ten spyt.
Maar 't is noodzaakelyk, met zorg, met kunst en vlyt,
Die toveryën op het spoedigst te verjaagen.
Pheroras.
Mevrouw, zo groot een liefde is een der zwaarste plaagen.
Om die te heelen is het best naar tyd gewacht;
Want alle moeite is nu vergeefs en zonder magt,
Dewyl dit snood vergif vermeestert al zyn reden.
Salome.
Laat, daar de magt ontbreekt, de list in arbeid treden.
'k Haat Mariamne met een doodelyken haat,
Die geenszins eêr, dan met haar leeven, my verlaat.
De hoon die ons geslacht moet van haar trotsheid draagen,
Roept wraak, en dreigt haar hoofd met onweêrstaanb're slaagen.
Kom, laaten wy ons zelf hier nader op beraân.
Ik zal haar ondergang verhaasten, of vergaan.
Einde van het Eerste Bedryf.