Zevende tooneel.
Herkules, Philoctetes, Lichas, Gevolg.
Herkules. Gy ziet my, Prins, beschaamd, vol spyt en hartewee. 'k Heb sints een maand geblaakt van een verborgen minne, Die 'k deezen dag ontdek aan u, en myn Slaavinne. 'k Hoor Dianiraas komst, en heb aan uwe trouw Bevoolen dat die haar vertrek bevord'ren zou, En Iölé tot myn verborgen min beweegen 'k Weet dat ze u beide, door uwe diensten, zyn geneegen; Dies had ik reeds 't vertrek der Koningin verwacht, En dat de fierheid der Prinsesse was verzacht, Ja, tot myn echt bekoord. Maar, na uw tusschen koomen Heeft Dianira noch haar reis niet aangenoomen,
En Iölé versmaad myn min, gelyk voorheen; Ja, beide klaagen zy. Maar, 'k heb ontdekt dat de een Is van myn min bewust, en de andere, uitgelaaten In haar versmaadingen, geneigd om my te haaten; My meerder schuwende, na dat gy onderstond Om haar te leiden tot myn huwelyksverbond. Maar 'k weet ook meê dat een gelukkig Medeminnaar, Myn vlam braverende, wierd van haar hart Verwinnaar. Men heelt zyn naam: doch doe u recht, en openbaart Dien zelf, dewyl myn lot zich deezen dag verklaart. Maar hoe! gy toont heel licht, door uw verbaasde zinnen, Hem die, gelukkiger dan ik, haar kon verwinnen. Hoeft dan de minnenyd, die 'k heb op u alleen, Door nieuwe blyken wel versterkt te zyn? ô neen! Philoctetes. Myn Heer, nu 'k word verdacht, zo hoeft gy niet te wachten, Dat ik met ydele verschooning my zal trachten Te redden uit den nood. Neen, 'k weet wel dat zo licht Een Medeminnaar niet vergeeft, als hy beticht; En hoe Alcides toorn straks vonnist op 't vermoeden: Zo dat my niets voor uwe gramschap kan behoeden. Dies denk niet, dit ik zelf zal, tot myn ongenucht, De waarheid dekken met een loogen zonder vrucht. Dit hart, dat gantsch geheim bewaarde uw minnezorgen, Heeft die voor Dianire op 't allertrouwst' verborgen. Indien gy dit mistrouwt verongelykt ge my. Maar zo 't een misdaad is, van wet noch straffe vry, Dat ik, op Iölé verliefd, myn hart voel blaaken, Dat van zich zelf voor haar een offerhand' wil maaken; Zo wreek u, straf my in uw bitter ongeduld. Uw minnenyd is noch zo groot niet als myn schuld.
Herkules. Durft gy daar, tot myn spyt, op roemen? en ontëeren . . . . Philoctetes. Wat schande is 't, als ik tracht my zelven te verweeren? Hoe kan ik zo veel glans weêrstaan? Of is myn hart Dan zo gevoelig niet als 't uwe in minnesmart? Herkules. Hoe! zo gevoelig niet als 't myn? Durft gy verschoonen. . . . Philoctetes. Neen, 'k weet wat eer dat ik Alcides moet betoonen; En dat ontzagh behoude ik voor u tot myn dood. 'k Weet dat de Hemel, die ons beider lot besloot, Heeft uw geluk meer als het myne in top verheven. Maar, ach! myn liefde, van het noodlot aangedreeven, Kwam de uwe voor; ja, eêr dat noch door 't krygsgeweld 't Paleis van Euritus was in uw magt gesteld, Gaf my de schoonheid der Prinses dees minnewonden. Wie dacht dat Herkules, door 't huwelyk verbonden Aan schoone Dianire, op Iölé zyn zin Zou zetten, blusschende in zyn ziel zyn eerste min? Herkules. 't Is my te lang getergd, en al te ver gekoomen. Tegen zyn lyfwacht. Dat straks de Ondankbaare in verzeek'ring werd' genoomen. Gy, Lichas, zult my voor hem instaan. Philoctetes. 'k Weet zeer wel, Myn Heer, indien gy niet . . . . . Herkules, tegen Lichas. Gehoorzaam myn bevel.
Einde van het Tweede Bedryf.
Cookies on Poetry Cove