Eerste tooneel.
Dianira, alleen.
Schoon ik onmoogelyk myn vrees kan overwinnen, Een straal van hoop verlicht nochtans myn' droeve zinnen: Ik zie de uitwerking en de kracht van Nessus bloed, Met een verlangen vol van liefde, te gemoet. Ja, Iölé, van min en deernis aangedreeven, Poogt me op dit oogenblik Alcides weêr te geeven. Zy gaat hem 't prachtig kleed zelf aanbiên, door welks kunst En heimelyke kracht dat ik op nieuw zyn gunst Herwinnen zal, en weêr zyn eerste vlam ontvonken. My dunkt hy wenscht zich reeds te spieg'len in myn lonken. Phenice, wachtende naar de uitkomst, zal my hier Ontdekken koomen welk een hoop myn minnevier, Uit een gewenscht begin van die verborgenheden, Te wachten heeft, na zo veel traanen en gebeden. Gy, gy, aan wien alleen myn lot en leeven staat, Die alle aanslagen helpt, of in hun hoop verlaat, O Jupiter! verhoor myn klaagen, zuchten, steenen, En laat uw Zoon zich met myn liefde weêr verëenen. Waar blyft Phenice, om my van vrees of hoop te ontslaan? Ach! 'k voel myn hart met alle elenden overlaân, In zulk een wank'lend lot, daar 't liever in dit stryden, Voor een onzeek're hoop, een zeek'ren ramp wil lyden. Alcides heeft licht, door een lot dat my verdrukt, 't Geschenk verworpen, waar door de aanslag is mislukt; Of Iölé heeft zelf myn raad niet naargekoomen. Ach! welk een reden doet myn ziel voor 't argste schroomen? Deeze Ongetrouwe, die 'k geloofde, heeft my licht
Bedroogen; en geveinst, voor myn ontroerd gezicht, Prins Philoctetes liefde, en 't onverwinlyk haaten Van Herkules, die my heeft om haar glans verlaaten. Vergeet ge, ô Juno! dan uw wraak, na zo veel hoon, Of is de magt te groot van deezen Bastaardzoon? Gy spant, nu dat ge u niet kunt wreeken, lichtlyk zaamen Met Iölé. Wel aan, 'k zal u, 'k zal haar beschaamen; En, nu ge onmagtig zyt, grootmoedig met één slag U wreeken, en my zelf gelyk, op deezen dag. 'k Vlieg naar den tempel om myn yver te verzaaden; En zo my Iölé misleid heeft en verraaden, Zal 't gruw'lyk offer eerst beginnen met haar bloed. Ja, 'k wil, met deeze hand, en 't zelfde staal, verwoed De borst van myn Gemaal, zo vol van trouwloosheden, Doorstooten, keerende voldaan en wel te vreden, Na zulk een zegepraal, het naar myn eigen hart; Myn misdaad kroonende, en, verwinnende alle smart, Vermoeid en zat van wraak, gerust my zelve dooden, Tot een zoenöffer voor de onsterffelyke Goden! Maar . . . . .
Cookies on Poetry Cove