Tweede tooneel.
Genserik, Sophronia, Hunnerik, Ispar, Justine, Gevolg.
Genserik.
Ge ontvlucht my steeds, Mevrouw, en ik zie anders niet
In uw gezicht als smart, misnoegen, en verdriet.
Zo de oorsprong in uw keur rechtvaardig schynt te wezen,
Ik zal u hooren; spreek, en klaag vry zonder vreezen.
'k Weet dat uw echt, al lang beslooten, reeds met pracht,
Op myne wederkomst, behoor te zyn volbragt.
'k Denk dat dit uitstel u misschien ontrust zal maaken.
Maar, zo gy my vertrouwt, de billykheid der zaaken . . . .
Sophronia.
Daar 's niets dat haast heeft, en het staat aan uw beleid.
'k Merk dat gy tegen my zoekt reên van moeilykheid.
'k Ontvlied hem, aan wiens oog het myne kan verveelen.