Derde tooneel.
Agamemnon, alleen.
Ja, 'k zal u trouwen. Maar wat of my naakende is? Wat heimelyke schrik! wat snelle ontsteltenis.
Gevoelt myn strydend hart? Zal ik den ramp gelooven, My straks voorzeid? Hoe! streeft myn vrees myn moed te boven? Gebied zy myne ziel? Ben ik dan zonder magt? Neen, 't is de hand der Goôn, en ik gevoel haar kracht: Die roert myn geest, en maakt my tot myn pligt genegen. Wat wilde ik doen? Ben ik, door zo veel braave wegen, Der snoode Atryden spoor dan vruchteloos ontgaan? O Agamemnon! zoud ge uw naam, uw eed'le daân, Door al de waereld by de hunne zien geleeken Door uw vloekwaarde min, die 't Godendom zou wreeken? Zie, hoe uw Zoon van u, en van Mycene vlucht. Zie, hoe de Koningin in wreede wanhoop zucht; Hoe zy de Echtscheiding en de ballingschap moet dragen Tot straf van zulk een trouw, die haar niet kon behaagen; Vertreedende al haar glans en eed'len staat zo licht. Kassandre is aan den dienst van 't Priesterschap verpligt. Zy droeg altyd voor u den grootsten haat en tooren; Orestes kon haar hart behaagen en bekooren: En uw doodschuldige en vervloekte vlam wil haar Ontrukken van uw Zoon, en het gewyde altaar! Ach! open uw gezicht, en wil uw opzet staaken, En 't lot, aan u voorzeid, u zelf niet waardig maaken. Zie dat gy 't noodlot doet verand'ren van besluit. Maar dat de Hemel werd in uwe straf gestuit; Of dat de Goden zich, door uwe weldaân, schaamen Om 't doodlyk vonnis dat zy in hun gramschap naamen.
Cookies on Poetry Cove