Vyfde tooneel.
Herodes, Sohemus, Lyfwachten.
Herodes. Schelm, die eer en pligt veracht, Hoe dorst gy het geheim, u toevertrouwd, ontdekken? Wat reden konden in uw laffe ziel verwekken Zo groot een stoutheid, tot verachting van de dood, Om te openbaaren, zo verdoemelyk en snood, Een zaak waar aan gy wist dat al myn rust moet hangen? Spreek, Booswicht, spreek: gy weet wat smarten dat my prangen. Sohemus. Ach! 'k heb my onbedacht in dit verdriet beknelt, En uit onnoozelheid 't geheim te vroeg gemeld. 'k Misdeed: maar 't naberouw, dat ik zal eeuwig toonen, Behoorde deeze daad genadig te verschoonen. O Vorst, in wiens gemoed zo groot een goedheid zweeft Als dapperheid, ik bid, dat gy myn schuld vergeeft. Herodes. De boosheid blykt te klaar van uw vervloekte daaden. Gy hebt, met voordacht, en met opzet my verraaden; Gy, die door ontrouw en verdoemelyke list, In myn paleis zaait zulk een doodelyke twist, Waar door gy weet een Vrouw zo ver van 't spoor te brengen, Dat ze een vergiften drank voor haar Gemaal durft mengen. Zy had dit snood besluit, waar 't niet belet, vervult. En gy durft, voor myn oor, noch zulk een zwaare schuld Zo stout verschoonen? Ja, Trouwlooze! ja, Verraader! Al uw verdeediging bewyst uw misdaad nader. Sohemus. Heer Koning, 'k heb te veel, te groot een kwaad bestaan,
Om my te ontschuldigen: ik heb genoeg misdaân, Dewyl ik tot myn leed uw zinnen kon mishaagen. 'k Zal nooit, met reden, van uw gramschap my beklaagen. En in 't gevaar, dat ik my zelven heb bereid, Hoop ik, met vrees, alleen op uw barmhartigheid. Herodes. 'k Heb door een middel, van een wonderlyk vermoogen, Zo klaar, als of ik 't zelf gezien had voor myne oogen, Geweeten al 't geheim van uw ontrouwe daad. Beken vry dat de min was de oorsprong van al 't kwaad. Men weet hoe hoog de roem en schoonheid is gesteegen Van Mariamne, die zo ryk'lyk heeft gekreegen 't Volmaakste, van al 't geen Natuur ooit bragt in 't licht. Die luister kwetste u 't hart, verblindende u 't gezicht. Gy kost onmoogelyk weêrstaan de schoone straalen, Die zy uit haar gezicht zielroerende liet dwaalen: Hier door hebt gy 't verraad gekregen in uw zin, En de oorzaak van uw schuld sproot uit de Koningin. Maar, zo gy wenscht dat ik het kwaad, zo stout bedreeven, In plaats van straffen, u genadig zal vergeeven, Zo laat me oprecht verstaan, door uw bekentenis, Hoe deeze liefde in haar begin gebooren is. Bevond ge in haar gemoed en ongetrouwe zinnen Noch al wat tegenstand, eêr gy haar kost verwinnen? Wat most ge al doen, toen gy wierd meester van haar eer? Sohemus. Zo vreemd een voorslag maakt my zo verbaast, myn Heer, Dat al myn spraak en myn gevoelen schynt verlooren. 'k Zou u myn antwoord, naar myn pligt, wel laaten hooren, Maar 't is me onmoogelyk. Waar wil dit heenen? ach! O Hemel!
Herodes. Ja, ik weet dat zulk een zwaaren slag Valt voor een Minnaar hard, die trouw, en vol ontfermen, Tracht zyn Meestresse voor alle onheil te beschermen. Herzaam uw geesten: meld my de oorzaak van dit vuur. Sohemus. Wie kan gelooven dat dit proefstuk der Natuur, Een Wonder van onze eeuw, wiens deugd elk kan bekooren, Zo schoon van ziel als zy van ligchaam is gebooren; Wel iets zou denken daar zy zelf door wierd ontëert? En dat een Koning, die zo wysselyk regeert, Ten koste van zyn rust, zyn oordeel zou verzaaken, Om zelf de onmooglykheid als moogelyk te maaken. 't Geen my word opgedicht stelt my in droeven staat. Kan ik my zelven wel met dit vervloekt verraad Beschuldigen, en my met eenen doen gelooven? Hoe! zou Sohemus dan zich zelf van eer berooven, En denken zulk een daad, zo haatlyk, zo vol schand', Ten zy hy was beroofd van deugd, en van verstand? En, schoon ze plaats in myn gedachten had genomen, Wie kan gelooven dat een laffe Slaaf zou koomen Tot zulk een stoutheid, om te ontdekken zyne min Aan de ooren van zo groot, zo fier een Koningin, Waar van de straf hem moest afschrikken, en doen beeven? En noch een Koningin, zo wys, zo kuisch van leeven, Dat zy een held're baak verstrekt voor yder een, Om zulk een voorbeeld, vry van vlekken, naar te treên? Haar deugd verdiende nooit zo groot een misvertrouwen. Herodes. 't Verdriet myne oogen om u langer aan te schouwen, De lessen die gy geeft verveelen myn gehoor. Verraader, meent gy u te ontschuldigen, met voor
Uw medestandsters deugd te pleiten? ja, met liegen En sierlykspreeken, 't recht zo listig te bedriegen? Sohemus. Men straff' my, als een schelm, indien myn reên zyn valsch. Herodes. Men laat dien Redenaar zyn woorden, met zyn hals Afsnyden, tot zyn loon. Sohemus. Myn bloed zal steeds hier boven Wraak roepen. Herodes. Ga hem van het leeven straks berooven.
Eenigen der Lyfwachten met Sohemus binnen.
Cookies on Poetry Cove