Zesde tooneel.
Nicomedes, Attalus.
Attalus. Myn Heer, ik zal, terwyl dat zy wil gaan, vertrekken. Nicomedes. Neen, neen, Prins, blyf hier vry: ik heb u iets te ontdekken. 'k Had, met de Kroon, daar 'k toe geschikt was, 't wettig recht Van eerstgeboor'nen, in uw voordeel, afgelegt; En, trachtende maar myn Meestresse te bevryden, Bad ik u dat gy zoud haar hart alleen bestryden; En geenszins Romen, noch de koninglyke magt Hier toe gebruiken. Maar gy slaat heel weinig acht Op 't geen uw pligt is; of 't geheugen doet u missen. Attalus. Gy dwingt my zelf dat ik hier in my moet vergissen, Zo gy my niet geheel met u stelt in één staat. 'k Zie wel dat ge iets van 't recht der eerstgeboorte afgaat, Maar houd gy 't hart niet der Vorstin in uw vermoogen? Uw krygsdeugd, die u maakt beminlyk in elks oogen, Uw eed'le Majesteit, welke alle harten trekt; Drie Scepters, die gy wint, en 't heldenhoofd, bedekt Met eeuwige lauwrier; de zege, die gy heden Van zes Veldslaagen kreegt, en meer als honderd Steden, Versterkt uw zyde, en maakt dat niets weerstreeft uw zin. Stel u, en my, dan eerst gelyk by de Vorstin: Laat haar de eerteekenen, waar meê gy zyt belaaden, Niet zien: wisch uit haar hart uw deugd en heldendaaden. Of laat my toe dat ik dan, tegen uw gezagh, Uw dapperheid en haare min, opweegen mag Den Vorst en Romen. Gy hebt lichtlyk kunnen merken,
Aan 't klein gewigt, waar meê dat zy myn zyde sterken, Dat gy 't moet winnen, in die weegschaal, tot myn leed. Nicomedes. Gy hebt te Romen niet vergeefs uw tyd besteed, Dus kunstig leerende u verdeedigen, en spreeken. Hebt gy geen hart, ten minste is uw verstand gebleeken.
Cookies on Poetry Cove