Laatste tooneel.
Enarus, Ariadne, Pirithoüs, Nerine, Arkas.
Enarus. Mevrouw, ik kom hier niet om uwe moeilykheên, Door dwang van redenen te stuiten; maar alleen Van 't geen dat in myn Hof gebeurde my verschoonen. Ariadne. 'k Weet wat ik schuldig ben aan uwe min te toonen: 'k Weet zelf waar toe dat my myn woord verbind; ja, 'k weet, Maar . . . . . . Enarus. Deeze zorg zou licht vermeerderen uw leed, En gy bezwaarlyk, noch te veel van uwe smarte Verdrukt, verkrygen van u zelf, om van uw harte . . . . Ariadne. Wat kan ik van my zelf verkrygen? wat, myn Heer? Ik ben, helaas! ik ben myn eigen zelf niet meer.
Enarus. Zo myn oprechte trouw, die steeds haar pligt zal weeten, Verdienen kan dat gy eens Thezeus zult vergeeten . . . . Ariadne. Hoe! zoude ik Thezeus niet vergeeten? Goôn! wat 'k laf Voor Thezeus voên een vlam, my zelf tot schande en straf? Die Thezeus zou noch iets op myn gemoed verwinnen? 'k Moet Thezeus haaten, en 'k zou Thezeus noch beminnen? Neen, Thezeus, Thezeus voele altoos myn toorn en wraak: En is het voor uw min een wenschelyke zaak, 'k Zweer by de Goden, by die Goden, die zich nader Met my verëenigen, om van een snood Verraader My fel te wreeken; dat ik Thezeus, zelfs met al Myn krachten, vloeken, en altoos vergeeten zal: Dat traanen, zuchten, noch berouw, noch teder smeeken My zullen dwingen, om een opzet te verbreeken . . . . Enarus. Mevrouw, indien ik durf . . . . Ariadne. Neen, Thezeus! neen, Tieran! Meineedige Barbaar! geloof nooit dat ik kan Bevredigd worden: neen, gy zult niets op my winnen; Myn zwaartste smart ontstaat alleen uit u te minnen. Maar als de wroeging van uw snoode trouwloosheid, Die uw bedrieglyk hart reeds duizend doôn bereid, U overgeeven zal, om wreed uw ziel te plaagen, Aan heimelyke beuls, die onöphoud'lyk knaagen; Dan zal uw smart zo fel als myne elende zyn, En ik zal lagchen, als gy lyd, om uwe pyn. 'k Zucht om u al te lang in bittere ongenuchten: Gy lagchte om my: nu moet gy op uw beurt ook zuchten. Wat dwaaling! Goôn! 'k dreig in de lucht. Terwyl dat ik Met dien Verraader spreek, is op dit oogenblik
Licht, voor zyn nieuwe min, het vrolyk uur verscheenen. Myn Heer, zo gy me mint, kom, gaan wy naar Atheenen, Myn Medeminnaares beletten dat zy niet Kan zegepraalen van haar liefde en myn verdriet. Gaan wy: stel haar, door vuur en staal, in myn vermoogen. Sleep, sleep de Ondankbaare voor myn beleedigde oogen, Op dat haar trouwloos hart, door overmaat van min En weelde dronken, zie de woede van myn zin. Geef, geef een voorbeeld van myn wraak aan alle Landen. Verdien myn hand, en wreek myn liefde, spyt, en schanden. Enarus. Gaan wy ons met den tyd beraân; en moet . . . . . Ariadne. De tyd! Hoe! meent gy dat myn wraak en wanhoop uitstel lyd? Nu yeder my verlaat, zo zal ik van myn kwaalen Door een veel zekerder hulpmiddel, zegepraalen. Weêrhoud ge, ô Wreede! my? Zy poogt den degen van Pirithoüs te krygen. Nerine. Wat doet gy? Ach! Mevrouw. Ariadne, tegen Nerine. Kom, ondersteun my: ik bezwyk, vervoerd van rouw. Wilt gy my helpen, nu ik alle hoop moet derven, Verleng myn leeven niet, maar laat my spoedig sterven. Enarus. Zy zwymt, Men help' haar. Ach! hy tergde haare smart, Die de eerste ontsteldheid zocht te stuiten van haar hart.
MDCXCIII.
EINDE.
Cookies on Poetry Cove