Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Eerste tooneel.

Kassandra, Ismene.

Kassandra. Bedrieg u niet, Ismene. Is 't waarheid, 't geen gezegt? Ismene. O ja, Mevrouw, ik ben hier wel van onderrecht. Orestes trok van hier. De Vorst, dien 't kwam ter ooren, Belastte aan Arbas straks hem vlytig na te spooren: Hy wil hem weder zien: licht troost hy zyne elend'. Kassandra. Ik wensch dat Arbas vlyt vergeefs werd' aangewend; Opdat myn wraak nu in zyn afzyn mag beginnen. Zyn tegenwoordigheid, 'k beken 't, weêrhield myn zinnen, En bragt een schrik aan myn verwoeden moed en hand: En hoe 'k in gramschap ook tot myn Verwinnaar brand', Die Overwinnaar, waarde Ismene, is ook de Vader Van mynen Minnaar, van Orestes, die my nader Bestaat als vyand: En met wat volkomen lust Men zelf zich dooden wil; noch steft men ongerust, Wanneer men is verliefd. Doch daar 's niets aan bedreeven: Orestes vlucht: ik moet my zelf voldoening geeven. Den moord des Vaders dek ik voor des Zoons gezicht, En, door ook tevens my te ontslaan van 't leevenslicht, Die deerelyke daad voor mynes Minnaars oogen. Ismene. Zyn dan uw zinnen tot zo snood een moord bewoogen? Gy hebt, als Priesterin ontzien, gebeên, geächt, Het bloed der beesten op 't gewyde altaar geslacht; Zoud gy nu met uw hand het bloed der menschen storten? Uw eigen leevensdraad door dolle spyt verkorten?

Gy, 't eenig overschot van die beroemde stam Der Koningen, die uit de Goden oorsprong nam! Sta van uw opzet af; wil Goôn noch menschen tergen. Ach! Kassandra. Stelp uw traanen; of wil die voor my verbergen. Laat my doorluchtig my ontstlaan van 't ongeval. 'k Wil Troje, noch my zelf, myn roem, en boven al De zwakheid van myn hart niet langer overleeven; Dat hart, het geen, in spyt van al myn wederstreeven, Zich aan den Zoon geeft van een Vyand, dien ik vloek. Al dat ik van uw trouw, Ismene, op 't laatst verzoek, Is dat gy spoedig en zorgvuldig, na 't verbranden Van myn verslaagen Lyk, uit vyand'lyke landen Myn asch vervoert, en die van deeze snoode kust Gelukkig vluchtend', wilt bestellen tot de rust, En in het graf van myn geheiligde Ouders sluiten. O gy elendige Trojaanen, die noch buiten Uw droevig Vaderland voor vriend en vyand vlucht, Te water en te lande uw ongeval bezucht, En ongelukkiger omdat gy zyt ontkomen Het bloedig zwaard! 'k Wensch u meer vreugd, en minder schroomen; En dat ge uw dagen slyt gelukkiger als ik. Maar 't is te lang getoefd: op yeder oogenblik Groeit noch myn moed en wraak, om d'aanslag aan te vangen. Kassandra, ga, 't is tyd; volvoer uw zielsverlangen, Om Agamemnons hart op te off'ren naar uw pligt. Wat waardig schouwspel voor der groote Goôn gezicht! Wat grooter offerhand' verëerde ooit hunne altaaren? Maar welk een schrik komt my zo snel in 't hart gevaaren, En houd my hier beroerd, in weêrwil van myn wraak? Wat beeving voel ik in myn ligchaam? Welk een zaak Maakt my zo koud als ys, nu 'k brand om my te wreeken?

Ismene. Helaas! de Hemel wil hier mede uw opzet breeken. Mevrouw, denk dat zyn gunst, tot uw en myn geluk, U wil beletten dat afgrysselyke stuk. Kassandra. Neen, neen, ik merk nu welk een magt my komt beroeren: Het is Apollo, die myn zinnen kan vervoeren, Aan zien het noodlot my als Priesterin verbond, Die al myns Vaders ramp voorzegt heeft door myn mond; De godheid die myn bloed in haar verbolgen tooren Ontsteekt, en zich aan my vervaarelyk laat hooren; En nu veel meer als ooit myn geest roert en verrukt, O groote Apollo, die my met uw godheid drukt! Pers my zo niet. Wat wilt gy meer van my begeeren? 'k Ben aan een mensch verslaafd; de min kon my verheeren. Ik ben niet meer voor u. Na dat ik al myn magt, Myn Ouders en myn Staat verloor met myn geslacht, Kan al 't voorzeggen myn belangen niet meer baaten. Maar ik gevoel op nieuw myn krachten my verlaaten. Een al te wreede pligt maakt myn onkreukbaar lot Geduurig dienstbaar aan Apols geducht gebod. Zyn geest vermeestert my. 'k Voel hoe ik moet bezwyken Voor d'yver van den god die my zyn magt doet blyken. Wat yss'lykheid is dit? Wat vreeszelyke schyn! Myn losse hairen, die om hoog gereezen zyn, Verbreeken schielyk al de bindsels en sieraaden Van myn hoofdsluijer en geheiligde gewaaden? Wat wreede onzichtb're hand rukt my de hairen uit? Ik hoor het donderen van 't goddelyk geluid. Och! welk een felle schrik heeft my het hart bewoogen? 'k Zie in myn woede, ô Goôn! die misdaân voor myne oogen Die voormaals zyn gepleegd in dit gehaate hof, Van alle afgryslykheên het voorwerp en de stof.

'k Zie wreede aanslagen; 'k zie 't verraân der heerschappyën, Doodslagen, godloosheid en vriendenmoorderyën, Bloedschande, en boven al zo zie ik weêr bereid Dat gruwzaam moordbanket, voor welks afgryslykheid De zon verbleekt is en verschrikt uit mededoogen. Ik zie noch meer: ik zie al de aarde in ooreloogen; Gantsch Asië en Europe in brand met al hun Steên. Maar hoe! waar of ik ben? En waar voert gy my heen, O ongestuimige vervoering van myn zinnen? 'k Zie Troje branden, en gantsch Ilium verwinnen; Zyn tempels, vesten en paleizen, al zyn pracht Verborgen onder 't gras, en alles omgebragt. Geschied het om myn haat en wraak in stand te houwen, Dat gy me zo veel bloeds en traanen doet beschouwen? O groote zielen van myne Ouders! deeze kust Zal Agamemnon haast zien sneuv'len voor uw rust. De Goden willen nu, vermurwd door onze 'traanen; Aan Atreus grooten zoon, den vyand der Trojaanen, Den beul van myn geslacht, doen voelen zyne straf. 'k Voorzie zyn dood: hy krygt voor 't huw'lyksbed zyn graf.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove