Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Vierde tooneel.

Alexandra, Benjamin

Alexandra. Men wacht dan Mariamne op 't bloedige schavot? Benjamin. Ja, en al 't aardryk treurt om haar beklaaglyk lot. De Hemel zelf schynt met de Onschuldige bewoogen, En heeft zyn klaarheid met een lamferkleed omtoogen, Om 't wreede treurspel, door een flaauwe schaduw heen, Te aanschouwen. Al 't misbaar, het kermen, en gesteen Zou zelf aan 't hardste hart een weg tot deernis baanen. Elk treed haar tegen, met het offer van zyn traanen. Alexandra. Zo gaat zy dan ter dood, als een onnoozel lam! Sproot zy hier toe uit zulk een heerelyke stam? O godloos vonnis! moest de nyd, door helsche treken, Het vuur van haat zo fel in 't hart des Dwing'lands kweeken? Dien spoor'looze Arabier, zo laf van moed als zin, Aanhitzen tot den moord van zyne Gemaalin?

Zal dan de Hemel, die de deugd ziet overheeren, Hem met zyn bliksemvuur noch niet tot asch verteeren? Ja, zyn rechtvaardigheid, die 't onrecht nooit geviel, Zal deeze onschuldige haast wreeken op zyn ziel: Hy laat zich liefelyk, maar ook weêr vrees'lyk hooren. Voor zyn's gelyken is het wee en ach beschooren. O Hemel! geef dat uw genade, in deezen staat, De onnooz'le Dochter help', de Moeder niet verlaat'. Benjamin. De Hemel zal noch licht de Onschuldige bevryden. Alexandra. Die schynt gantsch doof voor my, en zonder medelyden. Benjamin. Wat word gy, in een zee van onrust, overal Geslinger heen en weêr! Alexandra. Waar of men landen zal? In welk een haven word men eens verlicht van pynen? Benjamin. Mevrouw, berei u toch: zy zal wel haast verschynen. Hier is de weg, waar langs dat Voorbeeld van geduld Ter slagtbank gaan moet, om te sterven zonder schuld. Alexandra. Kan ik wel met zo wreed een opzet voor haar koomen? Ja, ja, ik zal, ik moet. Myn ziel, ontveins uw schroomen: Hou op van zuchten, als gy 't droeve Voorwerp ziet. Myn klagten mogten licht my strekken tot verdriet. Verzaaken wy ons zelf: laat ons haar tegentreeden Met zulk een fier gelaat dat al de moeilykheden Bedekt van ons gemoed. Om deeze slag te ontgaan Moet ik, Natuur ten trots, het Moeders hart verraân.

Benjamin. Ik vrees dat haar gezicht u dood'lyk zal bedroeven. Laat ons, al schreijende, ter zyden wat vertoeven Naar dat onnoozele Slagtöffer. Hemel! ach! Alexandra. Hoe! meent gy dat ik noch kan schreijen, als ik plag? Myn hart, door druk versteend, belet myne oogen 't weenen. Kom, lei, daar ik moet staan, myn sidderende beenen, Daar ik, mistroostig, bang en angstig van gemoed, Voor 't laatst, verwachten zal het waardigst van myn bloed.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove