Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Tweede tooneel.

Trasimond, Eudoxe, Narbal.

Eudoxe, tegen Trasimond, die haar eenigen tyd aanziet zonder spreeken. Gy zwygt, gy zegt my niets! moet elk my tegenstaan . . . Trasimond. 'k Zoek uit uwe oogen, wat ik zeggen moet, te leezen. Eudoxe. Vind ge in uw hart die reên zo klaar niet als voor deezen?

Maar ongetwyfeld is dit hart niet meer voor my: 't Neemt nu geen deel in 't leed dat ik rampzalig ly: Want als het was getrouw in zyn genegenheden, Gy zocht uit myn gezicht geen woorden noch geen reden, Waar meê uw liefde had myn lyden wat verzacht. Wat heeft een uur niet al verandering gebragt Aan uw genegenheid! ik voel my zelf gedreeven Mistroostig naar myn dood: ik wil niet langer leeven, Nu gy, ondankb're Prins, nu gy my niet meer mint. Trasimond. Min ik u niet? ô Goôn! wie heeft uw oog verblind? Wat doe ik dan, Prinses, als ik, tot u genegen, In wanhoop en ontsteld, onzeker en verlegen, De traanen, die myn oog wil schreijen, wederhouw, En, ach! uit uw gezicht te leezen tracht, Mevrouw, Of ik moet tegen u gelyk myn Zuster spreeken, Of als myn Minnaares? en tot een zeker teken . . . . Eudoxe. Van welk een trouwloosheid verdenkt gy reeds myn hart? O Hemel! weet gy niet . . . . Trasimond. Uw droefheid heeft myn smart, Verliefde kwelling, zorg, en minnenyd, geneezen. Eudoxe mint my: 'k heb geen rampspoed meer te vreezen, De Vorst, myn Vader, noch myn Medeminnaar niet. Eudoxe. Wat heb ik, Hemel! een beklaagelyk verdriet! Men denkt niet aan den staat van myn rampzaligheden. Des Konings wreedheid en bedreiging, tegen reden, Zyn sterke wapens voor Prins Hunnerik. Gy weet Dat ik hier tegen slechts heb traanen, in myn leed. Trasimond. Waar zult gy dan de hulp van deeze hand voor achten?

Eudoxe. Myn Heer, 't vermoogen van uw dapp're hand en krachten Kan ik niet achten, daar ze een Broeder tegen heeft. 'k Begeer niet, schoon myn haat myn reden wederstreeft, Ja, myn getergde wraak voor eeuwig op zal wekken, Dat zy uw eerlyk hart zou tot een misdaad strekken. Trasimond. Wilt gy dan liever dat myn Medeminnaar zy Gelukkiger dan ik? Hoe flaauw bemint gy my, Aanminnige Prinses! indien ik kom te hooren, Dat hy in 't minst uw rust wil met geweld verstooren, Zal hy beproeven, schoon dat gy my tegenspreekt, Hoe dat een Broeder van zyn ongelyk zich wreekt, Die zo gelukkig is dat hy verwon uw zinnen. Uw glans, die 'k eeuwig moet aanbidden en beminnen, Vermeestert in myn hart natuur en broederpligt: 'k Zal dien meineedige en baldaadige in 't gezicht Van Genserik, en van zyne hofgezin, verpletten. 'k Erken geen Meester, dan de liefde en haare wetten. Eudoxe. Ei! hou uw teedere vervoering toch wat in. De Vorst komt herwaarts: hy ontdekt licht uw zin. Verberg uw gramschap: laat myn bede uw drift betoomen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove