Tweede tooneel.
Flaminius, Laodise.
Flaminius. Mevrouw, de deugd verpligt . . . Laodise. Volg gy den Koning: uw Gezantschap is verricht. 'k Zeg u noch eens, dat ik hier nimmer u wil hooren. Flaminius. Ik spreek, aanschouwende de elenden u beschooren, Met u niet, als Gezant, maar een, die in zyn hart Bewoogen, poogt den loop der rampen, die gy tart,
Te stuiten; en ik durf, als Vriend, aan u verklaaren, Dat vaak de deugd zich met voorzichtigheid moet paaren, En veilig volgen daar haar 't noodlot trekt en leid; En, zonder deeze deugd, is de grootmoedigheid, In 't hart der Koningen, een valsche deugd; wiens straalen U, onder schyn van eer, van 't rechte spoor doen dwaalen, Aanbiedende u, dat gy behoorde te versmaân. Haar eer en luister zal wel duur u naamaals staan. En eind'lyk gy, tot ons, uitroepen, in uw lyden: 'k Had recht tot heerschen, maar 'k liet my dat recht ontglyden, Gy tergt een Vorst (wiens heir zo groot is, en den lof Van onverwinlyk heeft,) zelfs in zyn eigen Hof. Laodise. 'k Weet niet of de eer iets valschs kan worden aangewreeben, Maar 'k wil u mede, als een Vriendin, te kennen geeven, Dat myn voorzichtigheid noch niet is uitgeblust; En, zonder dat my hier eens te onderzoeken lust, Schoon de achterdocht my hier toe noopt, hoe uw gedachten Grootmoedigheid en deugd zo klein, zo weinig achten, En plaatsen in uw hart; wil ik u rechter, Heer, Doen zien, dat de eed'le moed van myne ziel zo zeer Niet, als gy waant, steunt op een valsche deugd. Met reden Leert zy my, zo 'k heb recht om op den Troon te treeden, Dat ik dat voorstaa; en zy zal ook, door haar magt, Hem wel verwinnen die my dat te ontrooven tracht. 'k Zie ook, gelyk gy poogt te drukken in myn zinnen, Een magtig Krysheir, dat gewoon is te overwinnen: Maar onder wiens beleid? wat Veldheer? welke een Held? Licht zou 't de Koning zich, wanneer hy trok te veld Beklaagen kunnen; en, wil hy myn Ryk regeeren, Zo raade ik hem, dat hy, om 't alles te overheeren, Zich van een ander Heir verzeker'. Doch schoon ik
Ben in zyn hof, daar 's niets waar voor ik vrees of schrik. De deugd vind, in zyn Ryk, en buiten myne Staaten, Alom bescherming voor 't geweld van die haar haaten. Al 't volk heeft oogen om te kunnen zien waar heen Het hof wil, tegen het welvaaren van 't Gemeen; 't Kent Nicomedes deugd, en ook de valsche treeken Van zyn Stiefmoeder, die diep in haar hart heeft steeken Een felle haar; ja, weet tot wat slaafsachtigheid, Door valsche Vrienden, dat de Koning word geleid. Doch, in de plaats dat ik zoude Attalus verachten, Waar door gy my stelt, naar den waan van uw gedachten, In groot gevaar; hoede ik zyn eer voor smaad en schand', Die hem de Kroon gaf, zo hy die kreeg van myn hand. Hy kwam my zelf steeds als een laffe ziel te vooren, En als een man niet tot die waardigheid gebooren, Die eer myn onderdaan scheen dan myn bedgenoot. Ja, zelfs ons huw'lyk kon, hoe waardig, en hoe groot Gy hem waardeert en acht, met my nooit evenaaren: 'k Zou, door myn voorbeeld, in myn Onderdaanen baaren Een klein ontzagh tot hem: en dit ware in zyn hart, Zo edelmoedig, een onlydelyke smart. Dies strekt myn weig'ring hem alleenig tot genaden, Voorkoomende een verdriet, dat eeuwig hem zou schaaden. Flaminius. Gy zyt, zo 't waar is 't geen gy zegt, hier Koningin, Bestierende het hof, en 't Heir naar uwen zin, De Koning slechts een beeld, dat kracht heeft noch vermoogen, Dan 't geen gy aan hem laat, door medely bewoogen: Ja, zelfs geeft gy genaâ. Gedoog na deeze alleen, Verschooning zoekende van myn vrymoedigheên, Dat Romen, door myn mond, u spreek' van uw belangen, Het komt u toe, dat ge een Gezantschap moogt ontfangen,
En zo gy 't niet, dan in Armenië, begeert, Zo laat my eind'lyk zyn met deeze gunst verëerd, Om als een ampteloos Romein u voor te draagen, Dat hy, die Romen, heeft tot Bondgenoot, geen laagen Van and'ren vreest; ja dat dit 't eenig middel is Waar door hy heerschen kan; en, zonder stoorenis, Houd zyn Gebuuren in bedwang, zyn Onderzaaten In rust, zyn Vyanden in vrees voor hunne Staaten. Een Vorst zit dan eerst vast op zynen troon, wanneer Hy Romen heeft te vriend. En onder zulk een eer Zal Attalus, veel meer, dan al de Vorsten zaamen, Een Koning zyn, van wien ge u nimmer hoeft te schaamen. En eind'lyk. . . . . Laodise. 't Is genoeg. 'k Begryp u al te klaar: De Koningen die zyn geen Koningen, dan daar Het u alleen behaagt. Maar, is het zo dat Romen Heeft van den Vorsten magt alleen 't gezagh bekoomen, 't Doet dan voor Attalus wel weinig; 't moest, nu zy Zo veel kan geeven, om te erkennen zyn waardy, Voor hem niet beed'len zo hardnekkig en verlegen: En, daar gy zyt zo zeer dien braaven Prins genegen, Ben ik verwonderd dat gy zulk een omweg gaat. Waarom of gy hem niet een koninglyken Staat Eerst geeft, en komt voor hem dan van een huw'lyk spreeken? Neen, 't is myn koninglyk ontzagh te veel verbreeken, En, voor een Onderdaan, aan my geverd. Ja, 'k zou Een Koning zelfs, zo hy, door u, zyn liefde en trouw My aanbood, en zyn kroon wou met de schand' belaaden Van uwen bondgenoot te worden, trots versmaaden. Dit 's myn gevoelen, dat ik nimmer loogch'nen kan; Ik wil, in eeuwigheid, geen Echtgenoot, die van
Den Roomschen Staat afhangt, en dient voor Slaaf moet strekken, En, nu ik ongeveinsd u kwam myn hart te ontdekken, Zo spil geen meerder tyd met dreigen, of gebeên. Flaminius. Mag ik u niet doen zien, dat gy zyt afgetreên Van 't rechte spoor, Mevrouw? Laat ik u nochmaals raaden, En oordeel beter van de Roomsche Deugd en daaden. Bedenk en overleg wel ryp'lyk uwen staat. Zo gy u zelve mint, vrees der Romeinen haat, En tracht niet langer hen zo wreev'lig te mishaagen. Karthage is omgekeerd, Antiochus verslaagen, En niets meer overig, dat onzen wil weêrstreeft: Daar alles voor ons buigt, de Zee en 't Aardryk beeft, En schud wanneer 't ons lust. Ja, Romen is op heden, Meestresse van 't Heeläl, van oorlog en van vreden. Laodise. Meestresse van 't Heeläl? Gy bragt dit oogenblik, Door deeze bliksems van bedreiging, schroom en schrik In myn gemoed, en 't zou niet weing my vervaaren, Wanneer Armenië, en myn hart, daar onder waren; Zo Hannibal had geen Navolger van zyn moed Aan Nicomedes, in zyn krygsschool opgevoed, En ik niet wist dat hy in zyne dapp're handen Gelaaten had 't geheim, om der Romeinen landen En magt te dwingen. Een zo schrander Leereling Zal de oorlogslessen, die hy uit zyn mond ontfing, Wanneer 't de nood vereischt, de waereld laaten blyken, En op zyn beurt meê met de Roomsche grootsheid pryken. Gantsche Asië, 't welk beeft voor zyne dapperheid, Verstrekt een proefstuk van zyn moedig krygsbeleid; Ja, zulk een proefstuk, daar hy Romen meê kan toonen, Hoe fier hy overwon drie koninglyke Kroonen;
Waarom het Kapitool licht vreest van haast te zien Zo groot een meesterstuk, waar door dat hy misschien. . . . Flaminius. Misschien is twyfelend; en wat kan Romen deeren? Maar gy zult, als het eens te pas zal komen, leeren Die Goden kennen, en hun bliksemen, gewoon Hoovaardigen, als u, te bonzen van den troon. Ja, 't was uw Hannibal, wiens hart kon, na de slaagen, Die hy by Trebia en Kannes won, vertsaagen; En, voor zyn schim verschrikt . . . Maar zie, daar komt uw Held, Dien ge onverwinlyk voor de Roomsche wapens stelt.
Cookies on Poetry Cove