Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Vierde tooneel.

Wenseslaus, Ladislaus, Octavius, Lyfwacht.

Wenseslaus. Myn Zoon! Ladislaus. Myn Heer! Wenseslaus. Helaas! Octavius, ter zyde. Hoe beeven, Door deez doodelyke ontmoeting, al myn leên! Wenseslaus. Hoe! Prins, zyt gy dit, die zo kwaalyk voort kunt treên! Zo bleek, zo ongedaan, verbaasd, en flaauw in 't spreeken? Gy schynt een ligchaam daar de ziel is uitgeweeken. Waar gaat gy dus bebloed in 't vroegst der morgenstond! Welk een ontsteltenis en schrik sluit u den mond? Ladislaus, ter zyde. Wat antwoord geeve ik? Ach! Wenseslaus. Myn Zoon, 'k verlang te hooren Wat droevig toeval u. . . . . Ladislaus. Myn Vader . . . 'k ben verlooren! Ik ging . . . ik was . . . de min heeft my zo zeer vervoert . . . Ik ben verbaads, en kan niets zeggen, gantsch beroerd. Wenseslaus. Een geest, die dus onsteld van schrik is ingenoomen, Ontdekt zyn schuld, en durft tot geen bekent'nis koomen.

Hebt gy ook handgemeen van deezen nacht geweest Met uwen Broeder? want uw wrevelige geest Morde eeuwig tegens hem. En zo 'k hem in myne armen Niet tegens uw geweld had trachten te beschermen . . . . Ladislaus. Neen, hy heeft my voldaan, myn Heer, in uw gezight. Wenseslaus. Wie wekte u dan zo vroeg, eêr 't blaakend zonnelicht Het aardryk koestert met zyn alverkwikb're straalen? Ladislaus. Is 't niet te vroeg voor u? Wenseslaus. Neen, 'k voel myn slaap bepaalen, Door duizend zorgen, in 't vervaarlykst van den nacht; En, vindende den loop myns leevens haast volbragt Zo neem ik wysselyk, in deeze hooge jaaren, De kostlyke uuren, welke ik van den slaap kan spaaren, En ik verleng daar meê den tyd, al lang voorheen Van 't noodlot my bepaald. Maar, door wat zorg, wat reên Kunt gy den slaap, de rust, en 't zachte bed verlaaten? Gy, die geen zorg hebt voor het nut der onderzaaten, En, naar uw jaaren, noch een langen leevenstyd, Indien 't de Hemel wil, met vreugd verzekerd zyt? Ladislaus. Myn leeven is ten einde: ik moet ontydig sterven, Zo 'k van uw goedheid geen genade kan verwerven. Deeze arm, terwyl ik dit vergeefs veins en verschoon, Wierp de allergrootste stut ter neder van uw kroon. De Hartog is niet meer: hy 's dood. Ik nam hem 't leeven, Na dat hy my hier toe lang reden had gegeeven. Wenseslaus. Helaas! de Hartog is niet meer! ô welk een pyn!

En gy had reden om de Moordenaar te zyn! O Hemel! 'k voel den band van myn geduld verbreeken. Maar hoe . . . .

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove