Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Tweede tooneel.

Agamemnon, Orestes, Pylades.

Orestes. Myn Heer, wat goedheid is 't, die my by u doet koomen? Agamemnon. Gy weet de vryheid die uw Moeder heeft genoomen Door haar ondankbaarheid, verr' buiten haaren pligt, Hoe zy myn gramschap tergt, zelfs in myn aangezicht. Zy zal de echtscheiding en de ballingschap ontfangen Voor haar verdiende straf: en wyl my haar belangen Noch porren tot genaâ, begeer ik haar vertrek, Op dat myn byzyn haar tot spyt noch schaamte strekk'. Ja, 'k wil, dat meer is, dat ge in dit uw vinnig lyden Waar meê haar ramp en straf uw teed're ziel doorsnyden, Met haar naar Sparte trekt. Met welk een zoete vreugd Zal 't byzyn van den Zoon des Moeders ongeneugt' Verzacht zyn tot haar troost! Daar moogt gy dan beginnen Hoe langs hoe meer des volks genegenheid te winnen, Waar over gy hier na als Koning zult gebiên: Want eindelyk, gy weet hoe 't zeker zal geschiên Dat u het huwlyk met Hermioné, by wetten Van Vaderlyk verdrag, de kroon op 't hoofd zal zetten. Op dat voorts uw verdriet in 't afzyn werd verzacht Betrouw ik u de helft van al myn oppermagt: Mycenen zal alleen naar myne wetten leeven; Gy zult als Koning uw geboden te Argos geeven.

Orestes. Nadien ik uw gezicht moest derven in myn jeugd, Was uwe wederkomst myn grootste hoop en vreugd; En gy, myn Heer, wilt me in uw byzyn niet gedoogen? Wat misdaad pleegde ik toch in uw genadige oogen? 'k Dacht niet dat myn vertrek en ongunst my den dag Van uwe zegepraal zou doen gedenken. Ach! Gy streelt myn ziel vergeefs met aan my op te draagen Den luister van een Kroon: die kan my niet behaagen. 'k Poog niet naar deezen Staat. Wat was 't voor my een schand' De helft van 't ryksgebied te trekken uit uw hand! Laat me, op uw wederkomst van zo veel oorlogsdaaden, Met overwinningen en roem op roem belaaden, By u genieten slechts de vruchten van uw eer. Ik ben noch jong; en zelfs het is door u, myn Heer, En door uw onderwys, dat ik de kunst moet leeren Waar door ik kan een Ryk beschermen en regeeren. Agamemnon. Indien het huw'lyk met Hermioné, de troon Van Argos, noch de straf uws Moeders, en haar hoon Niet magtig zyn u tot vertrekken te beweegen; Zo houd de dooling van uw blinde liefde u tegen. Hoe! moet ik, op myn komst, myn Zoon, van my ontäard, Gevangen zien van myn Gevang'ne zo onwaard! Vlied gy op zulk een wys de laffe ledigheden, Om op myn voorbeeld 't spoor der helden naar te treeden? Heeft Pelops, Herkules en Theseus in den lust Der min de frissche jeugd versleeten zo gerust, En by een Minnaares verslaafd haar kracht en zinnen? Zy eindigen haar tyd daar gy door wilt beginnen. Wanneer men heerlyk zyn gedachtenis en naam Met groote daaden heeft vereeuwigt door de Faam,

Dan is 't eerst tyd zyn rust te nemen, en te blaaken, Om zich in de armen van de liefde te vermaaken. Orestes. Die liefde, die myn ziel ontstak in vuur en vlam, Heeft nooit gemaakt dat ik iets schand'lyks ondernam. Ja, Troje had, hoe teêr ik was van kracht en jaaren, Dit staal zien blinken, en uw daaden evenaaren, Indien ik door de liefde eens Moeders, al te teêr, Niet was weêrhouden om te vliegen naar myn eer: Zy meende, onkundig van 't geval der oorelogen, Dat aan de jaaren meest de moed hing en 't vermoogen. 'k Heb steeds uw oorlogsdaân en moed my voorgestelt. My wil volbragt, het geen uw arm volvoerde in 't veld. Zo immermeer de Goôn, gelyk aan de and're Helden, Een ander Ilium my ook voor oogen stelden, Dan zoud gy aan myn moed, aan myn beleid en kracht Eens zien of my de min tot laffe zwakheid bragt. Agamemnon. Kan die wel laffer wil in uwen zin verwekken? Beschouw hoe deeze liefde u zal tot schade strekken. Kan u Kassandra dan aan vrienden, kroon en staat Ooit helpen, als ge om haar dit alles hebt versmaad? Orestes. Ik kan, ik kan alleen door de eed'le klank gedreeven Van haar doorluchten naam, my zelven alles geeven; Verheffen Ilium door een beroemde daad; Verzaamen 't overschot van Trojens troon en staat, En daar de Vader zege op zege heeft verkreegen, Den Zoon doen heerschen: ja, door deeze hand en degen Kan ik een Koningryk herstellen, waar van gy De eer van verwoesting hebt genooten zonder my. Ik kan, beminnende Kassandra, voor haare oogen

Verslaafde Volkeren, en Koningen geboogen In boeijens brengen: ja, u eindelyk doen zien Dat zulk een liefde, die het alles kan gebiên, Het spoor baant om vol roems de lauw'ren weg te draagen: Dat groote zielen zelfs het minnen en 't behaagen Als iets doorluchtigs by gewoonte toebehoort; En dat een eed'le min, die nergens aan zich stoort, Wanneer ze voor zich stryd het alles kan verheeren. Agamemnon. Maar, daar de Koningen van Griekenland begeeren, En elk verlangt naar de eer dat gy hun Schoonzoon zyt; Kan u dan 't huw'lyk van Kassandra noch, ten spyt Van twintig Vorsten en hun Dochteren, bekooren? Orestes. Ik ben aan Griekenland, de plaats daar 'k wierd gebooren, Wel veel verschuldigd: maar de keur van myne min Is buiten haar. Ik ben ook aan den wil en zin Van myn Heer Vader en myn Koning meer verbonden: Maar ach, myn Heer! de min, die al te diepe wonden Bragt in myn teed're ziel, staat niet meer in myn magt. Agamemnon. 'k Beklaag uw jeugd en min, die u tot hier toe bragt, Als zwakheên uit wiêr bron veel grooter misdaân reezen. Doch om u eind'lyk van die liefde te geneezen, Zo geeve ik aan Kassandre een Bruigom deezen dag. Orestes. Hoe! zou een ander die Prinses dan trouwen? ach! Wie is die Bruidegom? wie kon haar hart verwinnen? Agamemnon. Ik zelf. Ik overwon hier toe haar fiere zinnen. Ik noem hem u, om dat gy wilt dat ik hem toon'. Volg gy de Koningin: gehoorzaam myn geboôn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove