Darde tooneel.
Ariadne, Pirithoüs, Nerine.
Ariadne, Tegen Nerine. Wat doet myn Zuster? welke reden Beletten haare komst? Met wat verbaasdheid, ach! Zal zy de maar' verstaan van zulk een zwaaren slag, Die al myn hoop dood, en zy doodelyk zal haaten? Nerine. Mevrouw, na dat ik lang . . . . . . Ariadne. Waar hebt gy haar gelaaten? Spreek. Nerine. 'k Zocht alom vergeefs: men vind haar niet, Mevrouw, In haar vertrek. Ariadne. Men vind haar niet? Wat nieuwe rouw! Ik zie, verbaasd, en vol van schrik, hier in myn kwaalen: Maar myn verstand, in deeze ontroering aan het dwaalen Ziet niets, uit vrees van al te veel te zien. Hebt gy Van Thezeus niets gehoort? Nerine. Men mompelt als of hy Voorleden nacht, waar in zyn vlucht best kon gelukken . . . . Ariadne. O nacht! ô wreed verraad! ô booze gruwelstukken! O dubb'le valsheid! die het al . . . . Maar waarom toch Me ontsteld, verdenkende myn Zuster van bedrog?
Haar trouw voor my, haar deugd, die yder streeft te boven, Haar eer, ja, alles maakt dat ik 't niet kan gelooven. 't Is alles tegen haar nochtans in dit gerucht: Men vind haar nergens meer, en Thezeus is gevlucht. Men zoek' haar. 't Is te lang die knaagende angst geleeden, Die my noch meer verdrukt door deeze onzekerheden. Schoon dat myn hart zich van een twyflend kwaad verlicht, Dit hart moet hier in zyn gesterkt door myn gezicht. Een ongerust gemoed lyd tevens duizend dooden.
Cookies on Poetry Cove