Negende tooneel.
Prusias, Nicomedes, Arsinoë, Laodise, Flaminius, Attalus, Cleone.
Nicomedes. 't Is alles stil, myn Heer: een wenk van myn gezicht Kon, op een oogenblik, het volk in rust doen keeren. Prusias. Hoe! komt gy in myn hof my noch zo trots braveeren, Gy, Muitemaaker? Nicomedes. Dit 's een naam, dien 'k niet verdien. 'k Verschyn hier niet om u een Slaaf te laaten zien, Die ongehoorzaam heeft verbrooken zyne banden, Maar zulk een Onderdaan, die trouw, in uwe handen,
Uw ryksgezagh op nieuw herstelt in rust en vreê, Dat ander staatsbelang, als 't myne, wag'len deê. Niet dat ik Romen hier een misdaad aan wil wryven: Neen, 't volgt haar spoor op van staatkundige bedryven; En haar Gezant voldoet zyn pligt en trouw, als hy Tracht onder ons verdeeld te zien uw heerschappy. Doch laat u nimmer hier toe dwingen. Wil my geeven Uw gunst, en Romen zal voor uw vermoogen beeven. Vergeef ook d'yver van uw volk: 't verviel alleen Uit deernis met myn ramp tot deeze spoorloosheên. Vergeef een schuld, die zo noodzaakelyk moest wezen, Waar door uw heil eerlang zal zyn in top gereezen. Tegen Arsinoë. Geef gy my ook uw gunst, genade in plaats van straf; Gedoog dat ik u mag aanbidden tot myn graf. Ik weet door welk een drift dat gy my dus waart tegen: De moederlyke zucht, tot 's Broeders roem genegen, Wenscht hem tot Koning; en ik zweer u, dat ik zal Daar zelf toe helpen, zo ge alleen, in dit geval, Gedoogen kunt, dat hy die werd door myn vermoogen. Ja, 't weet in Asië, door duizend zegeboogen, Noch Ryken, met dees arm, te winnen, om daar meê Zyn hoofd te kroonen. Kies, Mevrouw, myn hand is reê; Kies van wat Ryk gy wilt dat hy zal zegepraalen: Gebiê my, en ik zal u daar de kroon van haalen. Arsinoë. Wilt gy uw zegen dan zien onbepaald, myn Heer, En, hebbende in uw magt myn leeven en myn eer, Met uw grootmoedigheid, die 't al kan overwinnen, Noch triomfeeren van myn hart en van myn zinnen? Dit hart is, tegen zo veel deugd, ontbloot van kracht: 't Verlangt om zich van zelf te geeven in uw magt.
Voeg by drie Scepters, die gy wint, ook deeze zegen, En 'k zal gelooven dat ik heb in u verkreegen Een tweeden Zoon. Prusias. Mevrouw, 'k geef me, in 't gezicht der Goôn, Meê over, en geloof dat deeze groote Zoon Myn grootste glory is. Prins, laat ons heden hooren, In deeze vreugde, van den Hemel ons beschooren, Aan wien wy zyn verpligt dat gy 't ontkoomen zyt. Nicomedes. Die Held hield zich voor my verborgen op dien tyd, Maar eischte van my af, na 't redden van myn leeven, Myn zegelring, die hy me op morgen weêr moet geeven. Attalus. Laat toe dat ik u met myn hand dien aan mag biên. Nicomedes. Ach! dat myn Broeder, die my liet dit proefstuk zien, Steeds vorstlyk is, om nooit die eerzucht te verkleinen! Neen, Attalus is nu geen Slaaf meer der Romeinen, Maar een grootmoedige Verlosser van zyn bloed. Gy hebt, myn Broeder, door uw eed'len helden moed, Met my, den Koning en de Koningin ontslaagen Van boeijens, u en haar van eeuwig die te draagen. Maar waarom u bedekt in 't redden van den Staat? Attalus. Om, zonder my, uw deugd volmaakt te zien den haat, En de onrechtvaardigheid verwinnen onbezweeken; Ja, om, waar' dit mislukt, u en my zelf te wreeken. Maar 'k bid, Mevrouw . . . . . Arsinoë.
Het is genoeg; 'k zie nu de list Volbragt, die gy voor my zo te verbergen wist.
Tegen Nicomedes. En nu myn Zoon het kwaad, dat ik u toe wou voegen, Belet, schep ik hier in een dubbel vergenoegen. Nicomedes, tegen Flaminius. Daar is geen eed'le ziel die niet op 't hoogst begeert De eer van uw vriendschap, en als een geluk waardeert; Maar wy verfoeijen die met zulk een last te draagen, Daar de Romeinen steeds de Koningen meê plaagen: Wy eischen die, doch vry van uw geweld en magt; Of uwe vyandschap, die ik zo wreed niet acht. Flaminius. De Raad moet hier meê naar zyn welgevallen leeven; Doch ik durf midd'lerwyl u wel verzeek'ring geeven, Dat gy zyt de achting der Romeinen dubbel waard, En dat zy zullen, ziende uw edelmoedig' aart, Gelooven, dat ze in u een dapper Vyand vinden, Zo ze u aan zich niet, als een trouwen Vriend, verbinden. Prusias. Laat ons, nu dat wy weêr verëenigd zyn, myn Zoon, Danköfferhanden gaan bereiden voor de Goôn, En smeeken hen dat wy, by dit geluk, bekoomen De vriendschap en de gunst des Raads en volks van Romen.
Einde van het Vyfde en Laatste Bedryf.
MDCXCII.
Cookies on Poetry Cove