Zesde tooneel.
Herkules, alleen.
O Hemel! hebt ge my dan ramp op ramp beschooren?
Meestres, Vriend, Gemaalin, vervolgt my even wreed.
Nu 'k my behouden zie, door zo veel bloed en zweet,
Door allerlei gevaar, en duizend dapp're stryden,
Zal licht myn glory, door de liefde, schipbreuk lyden.
Ik, ik heb vruchtloos twee kolommen door myn hand
Roemruchtig opgericht aan dat gevaarlyk strand,
Waar dat de laatste van myn arbeid en gevaaren
Dwong de twee groote zeên, en lietze zaamen paaren,
Op myn geboden, die haar strekken voor een wet.
Terwyl de Faam alom dit wonder uittrompet,
Zal deeze onsterflyke eer my hier tot schande strekken,
Nu dat een sterflyk mensch myn glory durft bevlekken;
En overwinnen myn in 't hart van Iölé.