Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Eerste tooneel.

Hunnerik, Ispar.

Ispar. Verflaauw toch niet, myn Heer. Of ze u schyn'haat te draagen, De aanbieding van uw echt moet eind'lyk haar behaagen. Hoor zonder harteleed haar fiere reden aan. Wie laat een gramme Vrouw niet, als zy schreit, begaan? Hunnerik. 'k Ben tot die zwakheid, my onwaardig, niet gebooren, Dat ik met zuchten zou, zo slaafsch, een Vrouw bekooren. Hy, dien het lust, verdraag haar hovaardy en haat. 'k Zal, wat de Koning me ook beveele, in deezen staat, Die trotse nooit weêr zien, of van myn huw'lyk spreeken. Ispar. Hoe! laat gy dan dus haast zo groot een oogmerk steeken, 't Doorluchtigste geluk voor een staatzuchtig Held? Maakt dan de gramschap van een Vrouw uw hart ontstelt? Dat moedig hart, 't geen zegt dat, boven het regeeren, Men nimmer heil of vreugd op 't aardryk moet waardeeren? Hoe! afstaan van de hoop op keizerlyken staat, Om dat ze u tegenspreekt, en, zo het schynt, versmaad? De Koning zal in u zo laf een blooheid haaten. Hy heeft zich steeds op uw grootmoedigheid verlaaten. Hunnerik. Ik had te weinig moed, te laf een hart getoont, Zo 'k offerde myn min aan een wiens haat my hoont. Daar zyn ook zekerder en korter wegen open, Waar door de Koning mag met my veel vaster hoopen. En als hy my gelooft, zo zal haar haat geenzins Myn hart, na 't einde van twee dagen. . . . .

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove