Zevende tooneel.
Wenseslaus, Ladislaus, Kassandra, Frederik, Octavius, Lyfwacht.
Kassandra, aan de voeten des Konings weenende. O Koning! zie myn smart. Gy, die steeds onvermoeid voor 't heilig recht zult stryden, En een Beschermer zyt van hen welke onrecht lyden; Die yder een naar zyn verdiensten straft, of loont, En in u zelven de rechtvaardigheid vertoont, Gelyk een baak van deugd, die zuiver zonder vlekken, Deeze en de volgende eeuw zult tot verwond'ring strekken, O Vorst en Vader te gelyk! wreekt u, wreek my. Geef blyk van uwen toorn, en van uw medely. Wil als een Rechter, die niet is verbidd'lyk, toonen, Dat gy uw Zoon niet wilt van 't recht der straf verschoonen, Op dat de naaeef uw rechtvaardigheid erkent.
Wenseslaus. Ei! maatig toch uw klagt, Mevrouw, in deeze elend': Zy smoort uw woorden in den wind van uwe zuchten, En spreekt door traanen, die my wel uwe ongenuchten, Doch niet haar rechten grond doen kennen. Kassandra. Welk een daad! Wenseslaus. Meld, meld my de oorzaak van uw jammerlyken staat. Kassandra. Uw Majesteit kent myn geslacht. Wenseslaus. Gy zyt gesprooten Van zulk een Vader, die het leeven heet genooten Van Ouders uit het bloed van Koningen geteeld; Wiens edelmoedigheid noch in uw wezen speelt. Hy was myn Bondgenoot, en trouwste myner vrinden. Kassandra. Zo oordeel of ik my te veel dorst onderwinden, Als ik één uw Zoons nam voor myn Echtgenoot. Ben ik te klein van staat? Of is zyn staat te groot? Wenseslaus. De liefde kent geen staat, en keurt naar zyn behaagen. Kassandra. Uw Zoonen hebben my hun dienst lang opgedraagen, Doch met groot onderscheid: de een, die my eerlyk hiel, Had een geöoreloofd voorneemen in zyn ziel; En de ander, brandende van snoô begeerlykheden, Verdenkende myn deugd, myn eer, en zuiv're zeden, Had slechts een oogwit voor zyn driften, tot myn schand'. Myn hart gevoelde ook, ik beken 't, in deezen stand, Een tegenstrydigheid voor hen in myn gedachten.
Ik kon, schoon beide uw Zoons, hen niet als Broeders achten. 'k Zag d'een als Vyand aan, en d'ander als myn Vrind. 'k Heb d' oudsten steeds gehaat, den jongsten steeds bemint. Prins Alexander, die geduurig voor zyne oogen Een Medeminnaar in zyn Broeder moest gedoogen, En vreezende 't ontzagh zyns Vaders, heeft de vlam, Die in myn hart, en 't zyne, een zuiv'ren oorsprong nam, Voor elks gezicht ontveinst. Bedekkende onze lonken, En onder 's Hartogs naam bestierende de vonken Van een verliefden brand, geloofden toen elk een Dat, als hy voor zich zelf, zyn zuchten en gebeên My zo bescheiden als voorzichtig op kwam draagen, Hy voor den Hartog zocht myn zinnen te behaagen; Maar vreezende eindelyk, dat niets my voor het woên Van 's Prinsen minnen tyd en driften zou behoên, En ziende dat alleen ons 't huw'lyk kon bewaaren Voor diens vergramde min, beslooten wy te paaren, En het voltrekken van onz' echt op d' eigen stond. 't Was gist'ren, als de slaap de rust op 't aardryk zond, (Gedoog, gedoog dat ik uw voeten mag besproeijen Met myne traanen, welke uit zulk een ader vloeijen Die nooit opdroogen zal,) wanneer myn Bruigom, ach! De hoop van zyne min voor 't ryzen van den dag Verwachtende; kwam, om geen achterdocht te maaken, Gantsch stil alleen, om aan zyn minnewensch te raaken. Maar hy had naauw'lyks in myn hof zyn voet gestelt, Of, voor een zacht onthaal, gevoeld' hy 't wreed geweld Van een barbaarsche hand, die, zonder iets te spreeken, Zyn zuiv're borst doorstiet, met drie verwoede steeken. Wenseslaus. Is Alexander dood? ô Hemel?
Ladislaus. Zie nu aan, O woede! ô minnenyd! het kwaad, door u gedaan. Kassandra. Ja, ja, myn Heer, hy 's dood; en ik, ik zal hem volgen Als hy gewrooken is. Ik ken hem, die verbolgen Myn hart in 't zyn' doorstak, gantsch tegen recht en reên, Gelyk een wreed gedrocht, ontbloot van menschlykheên. 'k Wacht dat ge, als Wreeker, en als Rechter, hem zult doemen Ter doodstraf: yder zal 't rechtvaardig vonnis roemen. Zie hoe uw eigen beeld geschend wierd; hoe onwaard Uw bloed, zo heerlyk en doorluchtig, stroomt op de aard'. Laat dit, is 't moogelyk, uw hart tot wraak verwekken. Wreek, wreek nu met uw bloed, een Bruid, die voor't voltrekken Van 't huw'lyk Weduw is; die troost'loos zucht en schreit, Om haaren Bruidegom. En zo uw Majesteit Noch twyfelt wie hem dorst van 't lieve licht berooven, Uw bloed heeft krachts genoeg om 't u te doen gelooven. 'k Zie, 't is beroerd: 't pleit voor, en tegen hem, met schrik: 't Roept nu bewoogen, dan vergramd, elk oogenblik, Dat Alexander liet door Ladislaus 't leeven. Zie zyn ontsteld gezicht kan 't zelfs te kennen geeven; En, buiten dit, zyn hand geverfd van 't dierbaar bloed, Op wiens gezicht de wraak ontvonkt in myn gemoed. Maak, maak uw stryd ten einde, en laat de straf beginnen. Wie van hun beiden zal 't in uw gedachten winnen? Uw Zoon de Moordenaar, of uw vermoorde Zoon? Zo gy den leevende verschoont om uwe kroon, En 't storten van uw bloed kunt zonder straf aanschouwen, Zo kon 't licht zyn dat gy niet langer zoud behouwen 't Geen u noch overbleef, en in uw aad'ren zweeft. Ja, de eigen hand, die 't plengde, en veröntwaardigt heeft;
Die reden, pligt, natuur, de menschlykheid, de wetten Geschonden heeft, en niets in 't woeden kon beletten, Word van een Broeder-licht een Vader-moordenaar. De ondeugden volgen, als een schakel, op elkaâr. Vreest uw beroemden naam, uw troon, u zelf te waagen. Indien ik u niet kan beweegen met myn klaagen, De dood eens Zopons niet op het Vaders hart vermag, Noch het afgryselyk gedenken van den slag, Die hem heeft omgebragt; zo word in 't eind bewoogen Door deezen dolk, waar van noch afdruipt, voor uwe oogen, Het lauwe bloed. Is dit noch niets, rechtvaardig Vorst! Zo denk, 't is de eigen dolk, die Alexanders borst, Door Ladislaus hand, doorboort heeft en geschonden. Zyn merk en naam is op 't bebloede staal gevonden. Aanschouw, en lees. 't Ontdekt uwe oogen al te klaar, Als Medestander van den moord, den Moordernaar. Dit staal, van de euveldaân noch vuil, noch warm, doorgriefde Het allerzuiverste Slagtöffer van de liefde. Deeze Offerhand', die Zoon, dit Bloed eischt, door myn mond, Myn trouw, en liefde, pligt, en huwelyksverbond, Nu wraak voor uwen troon, in 't aanzien van de Goden, Die u het oeff'nen der rechtvaardigheid geboden. Gy zyt, als Rechter, en als Vader, dit verpligt Aan uw vermoorden Zoon. Straf, straf, voor myn gezicht, Den Daader. Maar leent my het menschlyk recht geen ooren, Des Hemels vierschaar zal my eindelyk verhooren. Men roept op de aard' vergeefs om wraak de menschen aan, Als tegen 't Godendom de misdaad is begaan. De Hemel is daar van Getuige, en zal my strekken Een Rechter, zo ik u niet kan tot wraak verwekken. Wenseslaus, tegen Ladislaus. Kunt ge u ontschuldigen?
Ladislaus, knielende. O neen! ik ben de dood Wel dubbel waardig, om een schuld zo zwaar, zo groot. Geef, geef my over aan de strengheid van uw wetten. Laat u niets in myn straf ophouden, noch beletten. Verzaak my: denk niet meer dat ge in my leeft en speelt. 'k Zal niet meer denken dat ik ben van u geteeld. Vergeeten wy toch die beroerelyke naamen Van Zoon, en Vader, die ons nu niet meer betaamen. Zy mogten uw gemoed beweegen, reeds te teêr, Door al 't vermoogen der Natuur bestormd, myn Heer. Wees doof voor alles dat u noch voor my mogt smeeken. Kassandra wil myn dood, en haaren Minnaar wreeken: 't Is wel; 'k moet haar, 'k moet u, en 's Broeders geest voldoen, Nu my niets meer kan voor haar wreeden haat behoên. 'k Zal, door een dood, die haar behaagt, meer heil verwerven, Dan voor een lot 't geen my bevryden zou voor sterven. 'k Had zuizend dooden in dat leeven, zo myn hart Haar niet behaagen kon. 't Voelt reeds, in deeze smart, Hoe zeer ik worstel om myn liefde te overwinnen, Dat ik geruster na myn sterven haar zal minnen. De slag, die my zal doôn, tot wraak van haar verdriet, Is my elendige noch zo rampzaalig niet, Als de ongelukkkige en de doodlykste aller slagen, Die my trof op het hart, met onverdraagb're plaagen, Wanneer haar schoon gezicht myn vyrheid overwon. Ik wierd wanhoopig, om dat ik niets hoopen kon. 'k Verloor door haar myn rust, die ik, naar lang verlangen, Nu eind'yk weêr van haar zal, door de dood, ontfangen; En nu het noodlot wil dat ik 't slagtöfferhand' Van haar bekoorlykheid moet zyn, in deezen stand, Wat kan het meer of min aan myn vernoeging geeven,
Of zy my met haar mond, of oogen brengt om 't leeven? 'k Verzoek dat ge onderschryft het vonnis dat zy gaf. 'k Wil, zonder haare gunst, nooit de uwe, maar myn graf. Voltrek een vonnis, van de liefde lang geweezen, Of wil vry alles van een Hoopeloozen vreezen, En van een hand, die, dol van liefde, gantsch verwoed, Zyn glory heeft ontëert, bevlekt met Broederbloed. Wenseslaus, tegen Kassandra. Bepaal uw druk, en wil uw traanen wederhouwen, En ons gemeen belang slechts aan myn zorg vertrouwen. Ik zal, als Vader, Vorst, en Rechter, deezen dag Doen blyken wat op my rechtvaardigheid vermag; Van my verbannende dat tedere beweegen, 't Geen voor een wet Natuur heeft op ons hart verkreegen; Hem straffen, na dat hy beleed zo zwaar een schuld. Kassandra. 'k Vind myn verwachting niet bedroogen. Ei! vervuld . . . Wenseslaus. Rys, Prins, en geef my uw geweer. Ladislaus. Welk een begeeren? Hoe! myn geweer? Zal dan uw gramschap overheeren Myn recht . . . . Wenseslaus. Ik doe u recht, Het vonnis is geveld. Geef, geef 't gewillig, of men dwingt u met geweld. Ladislaus. Daar is dan 't staal, dat vaak my diende in uw belangen. Wenseslaus, tegen Frederik. Ik draag 't u op. Octavius. O welk een straf!
Wenseslaus, tegen zyn Lyfwacht. Breng hem gevangen In zyn vertrek. Ladislaus. Verhaast het eind, voor my bereid. O los geluk! ik voel uw onstandvastigheid!
Ladislaus, met twee der Lyfwachten, binnen.
Cookies on Poetry Cove