Zesde tooneel.
Herodes, Salome, Thamar.
Salome. Door welke reên kan u de gramschap zo verheeren? Herodes. Om dat men dag op dag my hoont in myn gezicht. Salome. De Koningin, myn Heer, heeft met haar fierheid licht Uw goedheid weêr getergt. Herodes. Gy kent haar booze daaden; Maar 't is voor 't laatst, dat zy myn gunsten zal versmaaden.
Salome. Dit hebt gy meer gezegt, myn Heer. Herodes. 'k Beken, 't is waar: Doch haare afkeerigheid, en zinneloos gebaar, Verwekt mynv yandschap. 'k Zal, als de pest, haar schuwen. Zy is een helsche plaag, waar voor myne oogen gruwen, Die my de Hemel gaf alleen tot myn verdriet. Salome. Mag ik niet weeten wat'er daadlyk is geschied, En wat u dus ontroert? Herodes. O ja, 'k zal 't u verhaalen. Als Mariamne, alleen al de oorzaak van myn kwaalen, Om my te zien, zich zelf in 't eind gedwongen vond, Heeft zy, ontëerende haar pligt, en trouwverbond, Met veel verwoede smaad, en toomelooze reden, Na dat ik haar vergeefs gevleid had en gebeden, Gelyk een Minnaar zyn Meestresse dier verbind, My wrevelig getoont hoe dat zy was gezind. Myn min deed niet als haare onheusheid grooter maaken. Ik was van liefde, en zy van fellen haat aan 't blaaken, En in die gramschap, vol van onrechtvaardigheên, Gaf zy my duizenden scheldwoorden achter een. Ik, die niet langer kon dit lasteren gedoogen, Heb haar baldaadigheid gestraft, en van myne oogen Die trotse weggejaagt, geterd door haar geweld. Dit is het geen my spyt, en myn gemoed ontstelt. Kom, overweeg haar woede, en laat my rustig hooren Of ik heb ongelyk in myn vervoerde tooren. Salome. Ja, gy hebt ongelyk, en haar ondankbaar hart
Hoort u te straffen met noch grooter ramp en smart, Om dat gy, zonder vrees voor haare booze zinnen, Haar steeds vergramt, met haar trouwhartig te beminnen. 't Is een ontmenschte, die vervloekt, en trouwloos leeft, Aan wie uw goedheid al te groot een vryheid geeft; En zo des Hemels gunst niet afwend haare slaagen, Zal zy met grooter leed, dan deeze, u eeuwig plaagen. Herodes. Nu dat ik heb ontdekt haar snoô kwaadaardigheid, Zal ik my wachten voor de laagen die zy leid. Salome. Hier vrees ik voor, met reên bekommerd voor uw leeven. Het vrouwelyk geslacht, door boosheid aangedreeven, Is gantsch wraakzuchtig, en, in haar verraadery, Zeer listig, loerende op haar voordeel, van ter zy. Een tygeresse, die haar jongen is ontnomen, Was nooit zo zeer, als een vergramde Vrouw, te schroomen. Myn yver, die alleen naar uwen welstand tracht, Onteert my zelf in al het vrouwelyk geslacht. Herodes. Neen, 'k zal voortaan zo wel doen letten op haar daaden, Dat zy onmoog'lyk my verderven kan, of schaaden, Of dat ik word terstond gewaarschouwt. 't Is haar goed Dat zy voor eeuwig zwyge, en dwing haar boos gemoed: Of anders zal. . . . Salome. Myn Heer, men tracht om u te spreeken. Ter zyde. Nu naakt het vrolyk uur, waar in ik my zal wreeken.
Cookies on Poetry Cove