Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Zesde tooneel.

Ladislaus, Frederik, Wenseslaus, Lyfwacht.

Ladislaus. Zult gy uw bloed behoên, of wreeken? Laat my hooren Of uw genaâ, dan of de straf my is beschooren. Helaas! myn Vader . . . . Wenseslaus. Ach! myn Zoon! 'k omhels u, teêr . . . . Ladislaus. O welk een teken van u gunst gevoel ik weêr? Of wat verandering kan ik in u bespeuren? Zal uw gerechtigheid myn misdaad dood'lyk keuren? Of uw barmhartigheid my die vergeeven? ach! Zult gy, als Rechter, of als Vader, deezen dag, Uwe armen my tot gunst, of boeijens laaten strekken? Wenseslaus. Zie wat ontroeringen de liefde kan verwekken Uit een omhelzing, die de laatste wezen zal.

Ontfang, myn Kind, in uw, en myn bedroefd geval, De laatste tederheid van 't vaderlyk beweegen. Weet gy uit welk een bloed gy 't leeven hebt gekreegen? Ladislaus. Ja, schoon ik 't heb ontëert, zo tuigt het myn gemoed. Wenseslaus. Behield gy de edele beweeging van dat bloed? Ladislaus. Indien gy die niet ziet, 'k gevoel daar van de blyken Door al myne aders heen. Wenseslaus. Zal ook dat bloed bezwyken? Vind gy u tot den laatsten en grootsten stryd bekwaam? Ladislaus. Ja, Vader, ja, ik zal geenszins myn heldenaam Besmetten. Neen, ô neen! 't is lichter voor myn zinnen De dood, dan het geweld der liefde, te overwinnen. Wenseslaus. Kom, wapen u dan met standvastigheid, en 't leed . .: Ladislaus. Indien ik sterven moet, myn ziel is al gereed. Wenseslaus. Uw strafplaats meê. Ga, ga, en breng uw hoofd daar heenen. 'k Zal met myn hart, terwyl myne oogen zullen weenen, U volgen, daar ik zelf, veröordeeld meer dan gy, Moet sterven, door den slag, die, zonder medely, Uw dood verhaasten zal. Maar, ach! 'k ben aan myn staaten Dit voorbeeld schuldig, tot het heil der onderzaaten En aan myn deugd en hart dees eed'len tegenstand; Aan uwen Broeder, die vermoord is door uw hand, Dit groot Slagtöffer Doch ik onderschreef met beeven Het vonnis van uw dood, dat ik aan hen moest geeven.

Zo noode spreek ik 't uit, als gy het noode hoort. Ladislaus. O neen! ik voel dat dit geluid myn oor bekoort. Wel aan, voltrek het dan, ô Vorst! naar uw begeeren. Myn hals is reeds gereed. Ik zal dien niet verweeren. 'k Heb uw geduld getergt, en al te lang geleeft. De Schudige onderschryft het vonnis dat gy geeft: Schoon ik myn laatste daad kon met den nacht verschoonen, En, in de dwaaling van myn minnenyd, u toonen 't Vergryp in 't woeden van myn hand, die wel besloot Des Hartogs ondergang, doch niet myn Broeders dood. Ik tracht geenszins, myn Heer, u om genaâ te smeeken, Schoon dat myn deugd en roem staan tegens myn gebreeken, En de eed'le kloekheid van dees arm, die schraagde uw Staat, Pleit' voor 't vergryp van een verschoonlyke euveldaad. 'k Zoek niet de dood te ontgaan: ô neen! 'k ly die geduldig; 'k Ben ze ook, als gy, doch aan een ander voorwerp, schuldig; Gy aan myn Broeder, aan het recht, uw staat en deugd; Ik aan den troon, en haat van een die 'k min. Wat vreugd! Zy spreekt myn vonnis uit, niet gy. Terwyl myn zinnen Gedwongen zyn, om haar volstandig te beminnen Tot d' allerlaatsten snik myns leevens; in de pyn Van 't sterven zal myn hart zo ongevoelig zyn, Als ik gevoelig was in haaren haat te draagen, Om dat myn dood noch zal haar schoon gezicht behaagen. Wenseslaus. Terwyl uw hart reeds tot de dood zich heeft bereid, Zo stap die dan te moet: sterf met kloekmoedigheid. Wil op de plaats, alwaar de beul uw bloed zal plengen, Ook by een prins'lyk hoofd een prins'lyk harte brengen. Ga heen, berei u dan hier toe geheel, myn Zoon, Op dat gy treên mogt naar 't schavot als naar een troon.

Tegen Frederik. Gelei den Prins van hier. Ladislaus, weggaande. Wat smart trof my ooit nader! Ach! Wenseslaus leeft, en ik, ik heb geen Vader! O al te strenge deugd!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove