Vyfde tooneel.
Trasimond, Sophronia, Justine, Narbal.
Trasimond. Gy ziet hoe ik, ontsteld, aan u myn wreede pynen Vergeefs te ontdekken tracht; want nu ik ben bereid Te spreeken, wederhoud me uw tegenwoordigheid. 'k Vrees dat uw hart geen deel zal neemen in myn klagten. Van uwe gunst behoorde ik alles te verwachten, 'k Beken 't, maar echter 'k beef, en durf niets hoopen, ach! Sophronia. Verlaat die wantrouw, zo ik iets op u vermag, En wil u, zonder vrees, myn Heer, op my betrouwen. Weet gy niet in wat waarde ik heb uw deugd gehouwen? Trasimond. Myn bange ziel verbergt zich langer niet voor u. In wederwil van al myn achting, word ik nu Geparst om u 't geheim van myn gemoed te ontdekken; Zo gy myn droevig leed niet wilt ter harte trekken, Noch medelyden met een heilloos Minnaar neemt, Zo sterf ik, ach! Mevrouw. Sophronia. Wat luit die taal my vreemd! Wat zie ik in uw oog, en op uw aanschyn blaaken? Trasimond. De leevendigste smart die immer hart kan raaken. Geen Minnaar kwam u ooit met meerder smarten voor. Sophronia. Gy Minnaar! gy, myn Heer is 't mooglyk? wat ik hoor! Heeft dan de liefde uw hart verwonnen en bewoogen? Dat hart in het gevaar des oorlogs opgetoogen,
Waar door gy nimmer in 't aanlokkelyke licht, En glans der schoonheid hebt gespiegelt uw gezicht. Trasimond. 't Is waar, ik zocht 't begin der liefde steeds te ontvlieden: Doch boven haar is iets dat yder kan gebieden. Ik dacht, verliefd op de eer, daar ik naar heb getracht, Dat myn grootmoedig hart, 't welk laffe rust veracht, Zou schootvry worden, in al de oorelogsgevaaren, Voor 't treffen van de min, die niemand schynt te spaaren. Schoon ik gebooren ben op 't dreunend oorlogsveld, By helden opgevoed, in 't gruwzaam krygsgeweld, 'k Heb echter wel geleert te zuchten en te klaagen. Sophronia. Als men gebooren is om yder te behaagen, Dan zucht noch klaagt men niet; de liefde is liever vry Van kwelling. Achterdocht, spyt, wanhoop, raazerny, Zyn rampen, die geen plaats ooit by u zullen winnen. Wat kan 'er tegenstaan aan uw verliefde zinnen? Die zo gelukkig zyn, behoorden in geen zaak Te zuchten, maar altoos te leeven in vermaak. Moet gy u aan uw smart zo licht gevoelig toonen? Wie zou een erfgenaam van zo veel groote kroonen, Zo welgemaakt, zo jong, zo dapp'ren Prins, als gy, Zyn wenschen weigeren? Neen, alles staat u vry. Trasimond. Ach! ik kan zonder u toch niet gelukkig wezen. Ik ben misschien te stout, Mevrouw, en 't doet my vreezen, Dat my uw weigering . . . . . Sophronia. Wat moet ik om u doen? Trasimond. Mevrouw, lyd dat ik aan uw voeten mag vergoên . . . .
Sophronia. Neen, neen, myn Heer, sta op, en wil u zelf verklaaren. Trasimond. Myn Broeder moet eerlang met uwe schoonheid paaren, En ik zal met dit staal, door een onrype dood, Myn leeven en elend' verkorten, in myn nood, Zo gy my weigert om den Koning te beweegen, Dat hy, zo hem noch iets legt aan myn rust gelegen, De Keizerin, en de Prinses in vryheid stelt. Sophronia. O Goôn! Trasimond. Die hoop houd, door de vrees, my 't hart bekneld; En 't is de grootste gunst, die ge immer my kunt geeven. Eudoxe heeft myn min; de haare doet my leeven, En gy kunt y alleen . . . . Sophronia. Justïne, ik sterf . . . . Trasimond. Mevrouw. . . . . Sophronia. Al myn belangen zyn reeds de uwe, Prins: vertrouw U zelf daar zeker op. Myn leevendige smarte Belet my 't hooren van een vonnis, dat myn harte . . . . . Maar, ach! ik voel die zelfs vergrooten door myn reên. Gy mint Eudoxe, en zy draagt liefde aan u alleen. Zeg haar, dat, boven myn beloften, myne daaden Noch grooter zullen zyn. 'k Zal verder my beraaden. Trasimond. Uw goedheid, die ik nooit uit myn gedachten mis, Beweegt myn harte tot een teêre erkentenis.
Cookies on Poetry Cove