Tweede tooneel.
Wenseslaus, Ladislaus.
Wenseslaus. Leen my uwe ooren, Myn zoon. Ladislaus. Wat is uw wil? Wenseslaus. Aan u te zeggen . . . . Ach! Ter zyde. O Hemel! buig zyn hart: beweeg hem deezen dag.
Ladislaus, ter zyde. Moet de ouderdom dan steeds zich zelf en and'ren schaaden? Wel aan, men hoor 't geen hem een vleijer heeft geraaden. Wenseslaus. 'k Verwachtte dat de tyd de vrucht eens rypen zou, Die, voor myn rykstroon, wierd gebooren uit myn trouw. 'k Geloofde, uw Moeder zoude onsterf'lyk in u leeven; In u, die na haar dood my over zyt gebleeven: Maar, ach! gy die haar deugd, zo heerlyk, zo vermaard, Op 't spoor moest volgen, zyt geheel van haar ontäard. 'k Zag nooit in u den glans van haare gaaven schynen; Dies baart 't herdenken van haar dood my duizend pynen. Uw daaden zyn uw staat onwaard. In uw gemoed Blonk nooit iets heerelyks, dat waardig is myn bloed. 'k Zoek Ladislaus in dat bloed; doch gantsch verlooren: Ik vind, noch ken hem niet, hoe koninglyk gebooren. Ja, hy bezit niets van een Koning, dan de lust En wil van het te zyn, ten nadeel van myn rust. Gy laat, afgunstig, op myn kroon uwe oogen daalen, Welke op dit gryze hair noch blinkt, en schiet haar straalen. Nu gy geen toeleg op myn leeven durft bestaan, Grypt gy, ontbloot van alle ontzagh, myn jaaren aan. 'k Ben oud, maar de ouderdom schuwt alle onbillykheden, En is bezitter van de waare en rechte reden. 't Geheim des troons is van den Hemel ingewyd, Dat niemand kent, als door ervaarenheid, en tyd. Gy, naar de drift van uw staatzuchtige gedachten, Meent dat de kroon is vol geluk, en waardig te achten; Maar, ze is vol moeilykheid, vol onheil, vol verdriet. Ge aanschouwt den schyn alleen, en 't wezen kent gy niet. Schoon dat een Koning is rechtvaardig in 't begeeren, De heirbaan van de deugd opvolgende in 't regeeren,
Zyn onderdaanen, 't zy in vrede of oorlogstyd, Vervloeken, nooit vernoegd, zyn daaden, door de nyd; Ja, zyn oprechtigheid zal nooit, hoe waard gepreezen, In 't hart der zynen zelfs, vry van 't berispen wezen. Zo 't allerzuiverste gemoed de nyd en haat Niet kan vermyden, in 't regeeren van een staat, Wat zal hy dan, die nooit de deugd gekent heeft, winnen Van 't heerschen, daar het kwaad beheerscht zyn ziel en zinnen, Die door de wellust, nooit iets heerlyks denken kan, En welker drift hem zelf verstrekt voor een tyran? Men moet voor eerst zich zelf, en dan een Ryk bestieren. Dat gy uw spoorloosheid hier niet den toom durft vieren, Spruit van myn magt, welke u een breidel heeft gelegt. Maar onderzoek u zelf, en doe u zelven recht. Gy steekt my naar het hart, door hem, die zich durft waagen Geduurig, om myn troon en leeven te onderschraagen: Gy haat den Hartog, om dat ik bemin zyn trouw. Uw blinde gramschap, die 'k met harteleed aanschouw, Word, zonder recht of reên, hoe langer hoe verwoeder, En uw argwaanige aard vervolgt hem in uw Broeder. De vriendschap, die hy heeft met deezen dapp'ren Held, Verwekt uw vyandschap en openbaar geweld. Met wat geduld heeft hy uw hoogmoed straks geleeden! Gebruik veel liever al die trotse oploopendheden. Daar 't Ottomans geslacht, dat eeuwig wrokt en woed, Myn Ryk braveert, en trotst uw dapp'ren heldenmoed. Ga, zoek roemruchtige en rechtvaardige krakkeelen, In plaats van broedertwist. Laat u niet meer verveelen, Dat ik dien Held beloon', wiens moedige arm de magt Van 't groot Moskovië deê buigen voor zyn kracht. Ladislaus. Ik zal . . . .
Wenseslaus. Ik wil, dat gy myn reden zult gedoogen. De zon verlicht nooit de aard', met haar doorstraalende oogen, Of zy ontdekt altoos iets van uw booze daân. Hoe! zal uw dapperheid, gekroond met lauwerblaân, Gelyk betoverd, in een dwaaze min verkwynen? En in een mist van schande uw glans en roem verdwynen? In plaats van achting, zyn veracht? ô welk een druk! Doch echter zie ik, dat een heimelyk geluk U noch beminlyk maakt, in weêrwil der gebreeken, Die vaak zyn, tot uw schande en myn verdriet, gebleeken; En, door een wonder, 't welk myn geest te boven gaat, Word gy bemint, en, op een zelven tyd, gehaat. Kwaadäardig, hebt ge elks vloek; gelukkig, yders zegen. Maar dat men u, myn Zoon, geduurig blyv' genegen. Heersch in de harten; heersch veel meerder door uw deugd Dan uw geboortelot, in d'opgang van uw jeugd. Maak, maak uw hoofd een kroon, uw hand een scepter waardig. Maar eind'lyk, zo gy noch, zo spoorloos als kwaadaardig, De eerbiedigheid veracht, die Frederik u geeft, Uw Broeders vriendschap, en uw Vaders raad weêrstreeft, Dan zal ik Koning zyn, en Rechter; ja, betoonen Dat ik het onrecht in myn Zoon niet wil verschoonen. Ladislaus. Schoon dit verwyt my in verbaasdheid heeft gebragt, En al myn daaden in uwe oogen zyn verdacht, Noch zal ik echter u myn onschuld laaten hooren, Zo 'k, op myn beurt, verkryg uw aandacht, hart, en ooren. Wenseslaus. Ik hoor: spreek, spreek, myn Zoon. Wat zal't my zyn een vreugd, Zo gy my overtuigt van dwaaling, door uw deugd! Het Vaders hart zal nooit ophouden u te minnen:
'k Wil, dus verwonnen, 't liefst verliezen. Mogt gy't winnen, Wat heil, wat groot geluk genoot myn ouderdom! Ladislaus. De nyd spuwt haar fenyn en zwarte gal alom, Door de vergifte tong eens vleijers, die uwe oogen En suffende ouderdom beklaaglyk heeft bedroogen, In nadeel van myn eer. Weet Wenseslaus niet, Ik weet het wel, dat ik geduurig word bespied. Doch, ik ontken niet, hoe 'k door openhartigheden, (Ik haat het veinzen,) vaak liet vloeijen in myn reden, Dat gy, voor 't zwaar gewigt der kroon, wierd al te zwak, Welke ik, met meerder kracht, en minder ongemak, Dan gy, beschermen zou: Dat uwe, en myne jaaren, Uw reeds verouderde, en myn jeugdelyke hairen Verschilden in hun kracht: Hoe de eed'le heldemoed Versturf in 't oude, en leefde en bloeide in 't jonge bloed; Dat gy behoorde u zelf, op d' oever van het leeven, De rust, en my den last van 't koningryk te geeven. De kroon heeft my bekoort; maar nooit om die uw hoofd Te ontrukken. Neen, ô neen! 'k heb nooit uw glans gerooft, En noch veel minder u getracht naar 't hart te steeken; Maar wel my van den hoon eens Gunstelings te wreeken, En 't ongelyk, 't geen my een Broeder heeft gedaan, Met dien hoogmoedige in zyn spoorloosheid te raân. De een heerscht in uw gemoed, en de ander in uw staaten. Ik haat den Hartog, ja, ik zal hem eeuwig haaten, Zo lang hy, met u wil, meer Koning is dan gy, En, onder uwen naam, voert de opperheerschappy. 't Is hy, die schaamteloos, by u, al myn bedryven Verdacht maakt, en myn deugd een vlek tracht aan te vryven. Dit 's de oorzaak dat uw oog, betooverd en verblind, In my niets vorst'lyks, of 't geene u gelyk is, vind.
'k Zou veinzen, om uw rust, niet eens te zien de zaaken Die hy gebruikt, om my by u gehaat te maaken, Indien hy niet, zo laf als trouwloos, tot myn schand', Het opperkrygsbewind gerukt had uit myn hand; Dat krygsbewind 't welk my, in d' opgang van myn leeven, Reeds heeft den naam van Schrik der Koningen gegeeven; Waar door ik onlangs noch, braveerende de nyd, De krygskrans keerde van den stouten Moskovyt. Gy hebt my opöntboôn, en 't loon van myne daaden Gegeeven in zyn keur, en hem met lof belaaden. Doch zo hy niet genoeg zyn moed gewapend vind' Voor 't woeden van myn toorn, dat hy dan wel bezind, En ryp'lyk overweeg' wat loon hy zal begeeren. Wil hy me als Erfgenaam niet van uw rykskroon eeren, Ik wil dat hy, voor 't minst, ontzagh hebb' voor myn min. 'k Ontdek u, in die zaak, niet zonder reên, myn zin; Want het gerucht bragt uw besluit reeds aan myne ooren, Welk een geluk gy hebt uw Gunsteling beschooren. Wenseslaus. Uw Broeder is . . . . Ladislaus. Die is stout in zyn spoorloosheid, En zo Natuur niet had voor hem by my gepleit, Uw magt, noch al 't geweld van vaderlyk erbermen, Zou, voor myn gramschap, hem bewaaren, noch beschermen. Hoe! als ik ben vervoerd door een gerechte spyt, En aan den Hartog zyn vermeetelheid verwyt, Die zoek te breid'len; durft myn Broeder my weêrstreeven, En, gantsch verwoed, door een verkeerde drift gedreeven, Verdedigen, alom, en tegen my, zyn eer! En, slaande stout en trost de hand aan zyn geweer, Beschermt hy hem, die voor myn magt zich niet wil buigen!
Maar, 'k neem al de oppermagt des Hemels tot getuigen, Dat, eêr de zon klimt uit den schoot der zee met pracht, En aan twee deelen van de waereld, door haar kracht, Den dag beneemen, en die wederom zal geeven, Hy 't vorst'lyk bloed, 't welk ik voel in myne aders zweeven, En door hem word veracht, zal storten, spyt uw kroon; Of reden geeven van dees onverdraagb'ren hoon. Ja, 't valsch gerucht van hun, die nydig my bewaaken, Moet ik my waardig, door een groote misdaad, maaken, En, zynde vaak gedreigd van u, die 't licht my gaf, Een voorwerp van de wet, en haar gestrenge straf. Wenseslaus, ter zyde. Wat kan ik meer doen, nu die trotse en wreede zinnen Niet zyn door dreigen, noch myn klagten te overwinnen, Als zien, of ik hem, die voor Vorst, noch Vader zwicht, Door kunstig veinzen, kan geleiden tot zyn pligt? Myn Zoon, ik merk nu wel hoe dat ik ben bedroogen. Myn lichtgeloovigheid benevelde myne oogen. Kom, smooren wy het vuur van onze onëenigheid In teed're omhelzingen. Wat vreugd is ons bereid! Ik sta de ontroering van myn bloed niet meerder tegen: 'k Moet daar voor zwichten, tot uw neiging gantsch genegen; Terwyl 'k, in weêrwil van myn gramschap, zelf beken, Dat my myn Zoon verwon, en dat ik Vader ben. 't Is dan de tyd, Prins, en myn eenigste begeeren, Dat gy zult, nevens my, dit Koningryk regeeren. Ik wil my, voor myn dood, in u herleeven zien, En, in myn' ouderdom, door uwe kracht gebiên. 'k Begin, in schaduw van uw groene en blonde hairen, Weêr een regeering, op een nieuw, van honderd jaaren. Ladislaus. Aan uwe rust, en wil hangt al myn vreugd, myn Heer;
En, zo uw gunst zo ver zich uitbreid, tot myn eer, Zal ik deeze eed'le gift ontfangen uit uw handen, Alleen, om dat gy zoud aanschouwen in uw landen Een Koning, die by u leeft als een onderdaan.
Cookies on Poetry Cove