Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Eerste tooneel.

Frederik, alleen.

Waar toe vervoert gy my? en waar wilt gy naar trachten, Vermeetele begeerte, uitzinnige gedachten? Gy die een sterflyk hart dwingt dat het minnen moet 't Onsterfelyke Schoon, 't geen my neêrstorten doet Van zulk een hooge vlucht! Hoop, die my had verheven, Kost gy niet denken, dat de Goden nooit vergeeven Zo dwaas een hovaardy, en zulk een stoute daad? 't Is hunne gramschap, die uw hoogmoed nederslaat. Met welk een eerbied gy dat Schoon hebt aangebeden, Een weigering beveelt dat gy te rug zult treeden. Verwin den stryd, dien gy u zelven hebt bereid. Wat recht van hoop heb ik, in myn genegenheid, Indien het vuur, dat my verteert, door 't hevig blaaken, Den Prins, en de Prinses gelyk vergramd kan maaken? Wil ik myn leed doen zien met de oogen, of den mond, Zo maak ik d' een' verwoed, en de andere ongezond. Kom, leeren wy de konst van zonder hoop te minnen. Ly, ly eerbiedig haar verachting in uw zinnen. Besluiten wy, myn hart, nu, zonder schande of schaamt, Tot deeze lafheid, die myn staat en pligt betaamt. Wil dan geduldig en eerbiedig, al uw dagen, Haar weigering, en 't juk van zulk een fierheid draagen. Durf ik geen Minnaar zyn; dat ik, in deezen staat, Dan zy 't slagtöffer van de liefde, en van haar haat.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove