Eerste tooneel.
Eudoxe, Camille.
Eudoxe.
Zoek and're reên tot troost van myn elendig leeven:
Voorbeelden kunnen nooit myn druk verlichting geeven.
Schoon 't noodlot heeft noch meer rampzaligen gemaakt,
Is daarom minder wreed de kwelling die my raakt?
Ja, 't is onwaardig voor doorluchtige gedachten
Hun smarten, door de pyn van and'ren, te verzachten:
Ook weegt myn ramp het zwaarst van alle rampen! Goôn!
'k Wensch honderdmaal de dood, in zo veel leed en hoon,
Voor een onzeker lot, dat steeds alle ongelukken
Te zaamen mengt, om my geduurig te onderdrukken,
Daar 't ongeduld my voert in wanhoop, door de spyt.
Ach! ach Camille! ach! ach! waar is die blyde tyd,
Die dag, wanneer de min my, en den Prins deê blaaken,
Toen hy als gyzelaar eerst kwam ons hof genaaken,
Tot heil der vrede, die Karthaag met Romen sloot?
O al te teder een herdenken! ach! vergroot,
Indien 't u moog'lyk is, myn bittere ongenuchten.
'k Geef my nu over aan myn wreede smart en zuchten:
Ik kan, ik wil niet meer hier leeven als slaavin.
Camille.
Bedenk, Mevrouw . . . . .
Eudoxe.
Neen, 'k zal aan Ispar straks myn zin
Verklaaren, en door hem my in myn lot verlichten.
Hy weet al wat de Vorst wil in zyn Ryk verrichten.
Ik zoek hier door myn hart van vrees of hoop te ontslaan.
Weet hy dat ik hem wacht?
Camille.
Daar komt hy herwaarts aan.