Darde tooneel.
Frederik, alleen.
O welk een licht stuit, met een straal van hoop,
De wanhoop van myn ziel in haar verbaasden loop?
En welk een last, myn hart, is u terstond gegeeven?
Durf ik eerbiedig haar aanbidden? 'k Heb misdreven,
Zo ik myn straf besluit. 'k Ontfang van haar een wet,
Die, mededogenloos, helaas! myn dood belet.
Dit is myn leeven, en myn sterven wederhouwen.
Maar, 'k zie . . .