Eerste tooneel.
Herkules, Philoctetes.
Herkules. Vreest Dianira my zo weinig te mishaagen, Dat zy tot in myn hof my trotsen komt en plaagen? Als ik haar 't naderen verbiê van myn gezicht, Vertreed, veracht zy myn geboden, en haar pligt? Wat reden vinde ik tot verschooning van haar daaden, Of hebt gy ook uw trouw met myn geheim verraaden? 't Is ongeloovelyk dat Dianira alleen Door haare minnedrift gevoert wierd herwaarts heen. Philoctetes. Myn Heer, 'k liet nu, noch nooit aan haare liefde iets hooren, 't Geen haar ontdekt heeft dat men u hier kon bekooren. Maar, als zy wist uw last, zo wierp zy heen en weêr, Al beevende en verbaasd, haar oogen op my neêr, Haar kracht gebruikende om 't stilzwygen af te breeken. Zy riep: Hoe! Herkules wil my dan zien noch spreeken? 't Is wel, men sterv', zo hy is met myn dood voldaan. Maar 'k wil het vonnis zelf eerst uit zyn mond verstaan: Ja, 'k wil hem zien, schoon ik zyn gramschap zou verwekken. Geen nood, al moest die tot myn ondergang verstrekken. Hem niet te zien, is meer dan sterven; en myn geest Is voor myn wanhoop meer dan voor zyn haat bevreesd. En, zonder twyfel, zal zy daadlyk herwaarts koomen. Herkules. O groote Goden! wat besluit heeft zy genomen! Zy zal, tot haar verdriet, zien in dit hof de pracht
Die tot myn tweede trouw hier zaamen is gebragt, Daar alles blinkt en blaakt van 't koninglyk vermoogen. Wat schrik zal 't geeven aan de minnenydige oogen Van een gehoonde en een verlaate Koningin, Te aanschouwen in myn arm een nieuwe Gemaalin! Maar eind'lyk, kost gy 't hart van Iölé beweegen? Is zy niet langer myn oprechte liefde tegen? Philoctetes. Zy heeft geenszins verwacht de aanbieding van uw trouw, En, in de plaats dat zy die hoog waardeeren zou, Kon ik tot antwoord niets dan zuchten van haar krygen. 'k Heb haar vergeefs geparst tot spreeken. Uit haar zwygen Ontdekte ik licht dat uw besluit haar fierheid hoont. En, zo haar hart gevoelt dat haar gezicht vertoont, Hoor zy met leed uw liefde. Herkules. Ik kan met reden denken Dat zy haar hart aan my geenszins zo licht zal schenken. Haar Overwinnaar tracht misschien hier naar te vroeg. Mar by gebrek van 't hart is my haar hand genoeg Besloot zy om met my naar 't echtältaar te treeden? Wat antwoord heeft zy u gegeeven? Philoctetes. Dat de reden, En strenge wetten der natuur haar d' echt verbiên Met d' Overwinnaar van haar Vader. Herkules. Neen: misschien Heeft ze and're reden om haar liefde my te onttrekken. De dood van Euritus zal slechts een dekkleed strekken Van haar afkeerigheid, die my de ziel doorsnyd. Maar, 't ga zo 't wil, ik zal met glory deeze spyt,
En alles wat myn min verhind'ring tracht te geeven, Als meester van 't heel al, wel haast te boven streeven. De weigering van myn bevallige Slavin, 't Weêrspannig woên van een beleedigde Vorstin, 't Geweld van myn gemoed, om 't oov'rig te bewaaren, Van myn verzwakte deugd, ja alles is aan 't baaren, Om myne liefde te onderdrukken. Groote Goôn! Waarom schiept ge Iölé zo zielverrukkend' schoon, En onbeweeg'lyk voor myn min, van elk verlaaten? Of zou ze een ander wel beminnen? en my haaten? Ach! zo 'k ontdekte dat een Medeminnaars hart Van 't haare triomfeerde, in spyt der hoon en smart, Van myn verachte vlam, licht dat een eed'le tooren Dit vuur uitbluschte, om haar verhoopte vreugd te stooren. Myn schand' . . . Maar Lichas komt verbaasd, met zorg belaân. Wat of . . . .
Cookies on Poetry Cove