Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Darde tooneel.

Herkules, Dianira, Phenice, Lichas.

Dianira. Vorst, laat my toe dat ik voor uwe voeten kniel', En u . . . .

Herkules. Mevrouw, rys op. Dianira. Neen: zo gy, tot myn smarte, Myn beeldtenis hebt wreed geschonden in uw harte, Voegt aan myn tegenspoed een nederigen staat. Ten minste, zeg my waar ik door verdiende uw haat. Met welk een gruweldaad ben ik by u geschonden? Voor eeuwig zynde aan u door 't huwelyk verbonden, Zo was ik altyd die getrouwe Gemaalin, Gelukkig tot het eind der waereld, door de min, By haar Gemaal; maar, tot den hemel toe, vol plaagen, Als ik uw afzyn moest beschreijen en beklaagen. Herkules. Maar Herkules bevryd u van zo zwaar een rouw. Wat minder liefde, en meer gehoorzaamheid, Mevrouw. Dianira. Ach! minder liefde? Hoe! wat woorden durft gy spreeken? Wat moet ik hooren, en wat denken? Welk een teken Van uw verkoelde vlam! wat minder liefde, ô Goôn! En dit word my door u, ja, van u zelf geboôn! Ach! Dianira is dan van Herkules bedroogen, Dewyl dat Iölé hem blaakt door haar schoone oogen. Men maake op eeden, en op trouw geen staat meer: neen. Lichtvaardige eeden, 't is door u, door u, alleen Dat een Verraader my misleide tot myn schade! Zie, zie in welk een staat my werpt uw ongenade! Ik ben my zelf niet meer: een blinde woede en drift Verkeert myn liefde in haat, vol doodelyk vergift. Vreest dit vergift . . . . . Maar ach! waar vliegt ge, ô myn gedachten! Tracht gy, door minnenyd en gramschap, te verzachten 't Weêrspannig hart van uw Gemaal? Helaas! myn Heer, Verschoon een zwakheid, die myn oordeel werpt ter neer.

Zie in myn wanhoop myn oprechte liefde blaaken. Ach! de uwe kan alleen myn ziel op 't hoogst vermaaken. 'k Leef niet dan door die liefde, en 'k leef niet dan in u. Denk, dat ik minder voor de dood, hoe schriklyk, gruw, Dan 't blusschen van een vlam, die eeuwig scheen te branden. Maar zo uw hart, ten trots van onze huw'lyksbanden, My niet meer mint, zo beef voor myn verwoede spyt. Herkules. Blusch uit myn gramschap: toon dat gy gehoorzaam zyt. Keer wederom. Dianira. Helaas! kunt gy myn byzyn schroomen? O Hemel! zie, ei zie hoe ver het is gekomen! Uw afkeer, Herkules, van myn genegenheid, De Faam, die Iölees bekoorlykheên verbreid . . . . Uw ontrouw . . . . Maar, helaas! gy weigert my te hooren, En schroomt rechtvaardig myn getergde wraak en tooren. Herkules. Neen: 't muitend Kalydon, Mevrouw, roept u van hier. Daar heerscht de haat noch, en ik heb 't oproerig vier Niet uitgebluscht; maar al wat zaamen was gespannen, Door 't bloedig sneuv'len der Etolische tyrannen, Alleen gestuit; en uw gezagh houd dat in dwang. 'k Vrees, door uw afzyn, dan met recht 's Ryks ondergang. Keer derwaarts. Dianira. Ach! ik lees al 't veinzen uit uw wezen. Neen, neen: gy zyt te zeer gevreesd om iets te vreezen: En zo gy vreest, gy vreest dan maar alleen voor my. Ja, trouwelooze, die myn trouw verraad, vrees vry. Denk niet, dat gy noch 't eind zaagt van uw moeite en stryden. Neen, Herkules; ik, ik, zal zonder medelyden, Door wanhoop, smaad, en wraak gevoerd in ongeduld,

U nieuwe geeven, daar gy licht van beeven zult, Barbaar! denk aan dien tyd, toen gy, zyden opgetoogen Van min, uw afscheid naamt; my liet, met schreijende oogen, In 't midden van myn Ryk; als ge u, in myn verdriet, Om myn bedroefde ziel te troosten, hooren liet: Indien de Hemel met zyn zegen kroond' myn daaden, Zult ge uw Gemaal haast zien met zegen overlaaden, Om de eer van zyn triomf op te off'ren aan uw trouw: Maar, of hem d'oorlog dit belette tot uw rouw, Zo wil uw teed'ren aart uit liefde toch verkloeken, Om hem tot aan het eind' der waereld op te zoeken: En, zonder dat een nieuw bevel u daer toe raad', Zoek hem, maar vrees hem toch te vinden al te laat. Toen gy dus teder my hier toe, door uwe gebeden, Verpligtte, dacht gy niet in uwe trouwloosheden Een Gemaalin te zien, die, vol van minnenyd, U in 't gezicht uw snoô verraadery verwyt. Herkules. Betoom de drift van uw verwoeden geest, aan 't dwaalen; En wil dit vruchteloos en trots verwyt bepaalen. Dianira. Nee, 'k vrees, noch veins: 'k ontdek al wat myn hart besloot Zo onbeschroomd als 't past Alcides Echtgenoot, Ten trots van 't kwaad dat gy mogt hebben voorgenoomen; Want 'k heb niets meer, als gy me uw hart ontneemt, te schroomen. Dit zeide ik ook, Ondankb're en 't heugt u, op den stond Als uw trouwlooze hand met myne ons echtverbond Bekragtigde aan den voet van 't altaar, dat noch heden Getuig'nis draagt van alle uwe onstandvastige eeden. Maar, ik onkundig van de uitwerking en de kracht Der minnennyd, wanneer de liefde word veracht, Zo kon de vrees niet veel op myn gedachten winnen. De min was op dien tyd noch meester van myn zinnen.

'k Voorzag toen niet in 't minst het schrikkelyke leed, Dat nu, met duizend doôn, myn ziel verscheurt te wreed; Noch 't geen ik tegen een Gemaal zou konnen toonen Al te beminlyk in myne oogen. Herkules.

Na dit hoonen En last'ren blykt, Mevrouw, aan my geduldigheid, Dat in myn hart voor u noch gunst verborgen leit. Vertrek terstond. Dianira. 't Is wel; ik zal terstont vertrekken; Maar uw Slaavin zal tot myn reisgenoot verstrekken. Bedrieg u niet: 'k vertrek niet zonder haar. Wat smart Brengt zulk een donderslag aan uw ondankbaar hart? Daar is uw Gemaalin om een Slaavin verdreeven. Beef, Ongetrouwe, beef: ja, beef vry al uw leeven Voor de oogen van een Vrouw, vol wanhoop, woede en haat. Wacht alles van myn hoon, en hand, in deezen staat. De dood van Iölé, reeds door myn toorn verweezen, Is 't minst dat gy van myn verwoede drift moet vreezen. Vrees voor u zelf, ik ben uw Vyandin, veel meer Dan Juno was. Herkules.

Mevrouw, dit gaat te hoog, te veer. Dianira. Ja, 't gaat te hoog, te veer, dat gy my durft verlaaten. Wat reden gaf ik u, Ontmenschte, om my te haaten? Maar 'k zie dat gy zyt voor myn minnenyd vervaard. Spreek, heeft die immer schrik in uw gemoed gebaart, Zo lang ik was bemind? Waar is zo haast verdweenen Die aangenaame tyd, wanneer ik, door myn weenen En zuchten, in uw hart herleeven deê de min! Als gy de minnenyd dreef uit myn hart en zin,

Met duizend traanen, om myn lyden te verachten! Maar, 'k roep vergeefs weêrom de streelende gedachten Van een verdrukte vlam, die ge uitbluscht en vergeet. Barbaar! gy smoort myn ziel in zulk een dood'lyk leed. Ja, Herkules, ik voel van zo veel raazernyën, Als 'k eertyds liefde had, myn zinnen fel bestryën, Doch, zo ge uw leeven mint, zo vrees, ja vrees alleen Zo zeer myn min, als gy die hebt gewenscht voorheen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove