Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Darde tooneel.

Herodes, Salome, Pheroras, Narbal.

Salome, tegen Narbal. Wat deert den Vorst? Narbal. Mevrouw, Hy kwelt zich zelf in zulk een overmaat van rouw, Dat hy zal schielyk zyn ten einde van zyn daagen, Indien uw raad niet stuit den loop van zyne plaagen. Salome. Liet hem Augustus ook iets weeten, 't geen zyn smart Door spyt verwekt?

Narbal. O neen! Salome. Wat ramp drukt dan zyn hart? Narbal. De dood der Koningin, die hy niet kan aanschouwen. Pheroras. 'k Heb wel voorzien, dat hem haar vonnis zou berouwen. Salome. Hoe is het moogelyk? Schept hy dan ongeneugt' Uit zulk een zaak, die hem moest baaren alle vreugd? Pheroras. Laat ons met ryp beraad voorzichtig by hem koomen. Zyn gramschap, in dit stuk, moet wel zyn waargenomen. Salome. Zyn geest wil liever zyn vermeesterd met geweld. Pheroras. Hy komt weêr naar ons toe, vermoeid, benaauwd, ontsteld: De droefheid heeft hy tot gezelschap, en zyne oogen Staan wild: zyn aanschyn is met bleekheid overtoogen: Zyn gang is spoor'loos, hy verbystert meer en meer. Salome. Gy zyt zwaarmoedig, en gy schynt bedroefd, myn Heer. Herodes. Die komt uit staatszorg, die den geest licht kan verdrieten. Maar 'k wil van deezen dag een weinig rust genieten. Pheroras. Dat waar noodzaaklyk, tot herstelling van uw geest. Herodes. Om niet te veinzen, al myn smart en druk is meest Ontstaan om dat ik niet, sints gist'ren, heb gesprooken De Koningin: dit heeft myn rust en vreugd gebrooken.

Laat zeggen; uit myn naam, dat ik haar hier verwacht. Salome. Zyn oordeel en verstand schynt buiten 't spoor gebragt. Herodes. Ei! wil toch, op myn beê haar spoedig laaten haalen. Pheroras. Door welk een middel? Herodes. Ach! help my in deeze kwaalen. Ik wil haar spreeken. Ga, laat haar myn last verstaan. Is dit zo zwaar een zaak? Of wil men dan niet gaan? Salome. Hoe kan ze u hooren, en hoe kunt gy met haar spreeken? Zy heeft geen geest: die is van 't ligchaam reeds geweeken, t Geen niets is. Herodes. Hemel! hoe! is Mariamne dood? Wreedaardig noodlot! gy, gy zaagt in deezen nood, Haar bukken voor den slag, en gy hebt dien geleeden, Ja zonder dat uw magt, om zulke afgryslykheden, Den rouw oplegt aan al wat aan Natuur behoort? Is deeze schoonheid, en haar glans in 't bloed gesmoord'? Het ligchaam, koud en klam, in 't graf, met al haar gaaven? En is 't heeläl noch niet in puin en asch begraaven? 't Blyft onvernield, ô spyt! In dit verlies alleen, Het geen alle anderen te boven streeft met reên, Behoorde zelfs 't verlies der waereld in te steeken: 't Moest d' aardkloot lichten uit zyn assen, en verbreeken, Al de elementen, aarde, en water, lucht en vuur In een verwarren, en versmelten de Natuur, En doen het alles in zyn eerste baijerd keeren. De dood dorst Mariamne, ô gruwel! overheeren!

De schaduw van het graf bewaart het overschot Van 't schoonste Schepsel, dat verdiende een beter lot. Laat uwe smarten gaan in arbeid om te baaren, Stel uwe handen tot haar pligt: laat zy uw hairen Uitrukken met geweld: verscheur uw aangezicht. Smeek vriend en vyand dat hy u beroov' van 't licht, Of sterf liefst van berouw, om dat gy niet kunt sterven. Pheroras. Vergeet liefst dit verlies, het geen gy toch moet derven. Wie kan 't veranderen? En zo gy 't wel bedacht, Gy zoud het zelf niet weêr, indien 't stond aan uw magt, Veranderen. Salome. O ja! gy zult eerlang bevinden, Dat zulk een heerlyk werk, voor u, en voor u vrinden, En voor uw gantschen staat was een noodzaaklykheid. Herodes. De wroeging heeft myn ziel reeds allen troost ontzeid. Maar, wat wil Thares, dus verwonderd, ons verklaaren?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove