Darde tooneel.
Agamemnon, Orestes, Euribates.
Orestes. Ach! wat ik hoor, myn Heer! ach! wat hebt gy geboden? Moet ik door ballingschap myn Moeder op dien stond Verliezen, waar in ik myn Vader wederstond? Agamemnon. Ja, zy behoorde noch veel zwaarder straf te ontfangen, Die ongetrouwe! Is dat de liefde en al 't verlangen . . . . Orestes. Helaas! gy twyfelt of ze u aanbid in haar hart? 'k Heb noch geheugen, schoon ik jong was, van haar smart, Toen gy van hier moest gaan om Ilium te winnen, En van haar afscheid naamt. ô Welk een teder minnen! Ik zag haar in uw arm halfdood en spraakeloos. Zy scheen beroofd van kracht en geesten voor altoos. Hier na versmoorde ze in haar traanen en haar klagten. Wat wreede dagen, wat bekommerlyke nachten Zag ik haar slyten in dit droevig hofpaleis! Hoe zocht zy ademtogt door zuchten, reis op reis! Wanneer zy dacht hoe gy moest zwerven op de baaren, En uitstaan duizenden van oorelogsgevaaren, Heeft zy, met groot misbaar en ongerusten geest, My teêr omhelzende, om uw leeven staâg bevreesd, Haar traanen mild gestort op myn bestorven kaaken. Hoe zag ik haar met zorg en yver telkens waaken!
Met wat oplettendheid, met hoop en vrees belaân, Liet zy geduurig al de stranden gadeslaan, Waar op wy moesten, op uw wil, na veel verlangen De zegetekens van 't vernielde Troje ontfangen! Ja, zonder myn belet, zou, door de valsche maar' Van uwe dood, uit smart, uit wanhoop en misbaar Haar leeven zyn verkort, zelfs met haar eigen handen. Haar eeregraaven, en haar traanen, 't offerbranden . . . . Agamemnon. Dat was geveinsde schyn, en droefheid vol bedrog. Hier komende zag ik geen and're tekens noch Dan loofwerk, outers, pracht, en goude wierookvaaten; Al toebereidsels om een huwlyk, zo verwaaten En zo rampzalig, te volbrengen met ontzagh. Had myne wederkomst vertoeft een enk'le dag, Een ander Koning zou alreeds myn troon betreeden, En op myn huwlyksbed myn plaats voor my bekleeden. Zyn dit geen redenen tot onverzoenb'ren haat? Orestes. De Grieken zullen zelf, myn Heer, in deezen staat Tot haar rechtvaardiging getuigen, en verklaaren Hoe zy met haar gebied niet meer te vreden waren. Men wilde een Koning die meer jaaren had dan ik, En koos Egistus in dat eigen oogenblik. Helaas, myn Heer! wat kan een Moeders onmagt, tegen Het onheil van haar Zoon, zo raadloos en verlegen? Gelyk een offerhand' van Staat ging zy gebukt Naar 't echtaltaar, ontsteld, verslaagen en verdrukt. Deeze aanslag was voor haar verraadelyk bestooken. Maar 't heilloos huwelyk had ik wel haast gewrooken, En dien vervloekten dag met onverschrokken moed Doen zwemmen in een zee van traanen, brien en bloed.
Ik had de muiters, en Egistus dier gezwooren Te dooden voor 't altaar, als offers van myn tooren. Agamemnon. Zy zocht dan door deez' Echt, bewust van dit verraad Den rechten Erfgenaam te ontrooven kroon en staat? Schoon 't lafste Volk al had geschroomt de gruwelstukken Eens Ryksverraaders, om haarZoon 't gebied te ontrukken; Ja, schoon ze had gevreest dat deeze Stad, verheerd Door burgelyken kryg, zou hebben omgekeerd, Noch was 't haar pligt dat zy uw zyde had gekooren. Neen, 'k was door haar verraân, en gy door haar verlooren. Spreek my van haar niet meer. Zy voel' myn ongenaâ. Gy, ga op morgen heen. Uw voorspraak komt te spaâ. 'k Wil dat ze in Sparte slyt' haar overige dagen. Orestes. Ei schort uw vonnis op. Gun my haar straf te draagen. Wreek u op my alleen. Myn misdryf heeft de schuld: De Koningin is vry. 'k Moet, wyl haar taai geduld, Door stil te zwygen, zulk een blaam geeft aan haar leeven, Haar zuiv're onnoozelheid aan u te kennen geeven. In spyt van 't muitgespan zo stond het maar aan my Om aan te vaarden 't recht der opperheerschappy. Niets kon hier tegenstaan, noch deeze glory weeren. Myn Moeder gaf my 't Ryk, en ik zou reeds regeeren, Had ik slechts naar haar keur getrouwt een Koningin. Maar 'k leende aan niemand 't oor dan myn vermeet'le min; Voorneemende eêr den troon en 't leeven te verachten, Zo 'k dien door 't missen van 't beminde moest verwachten. Dit is een liefde my van 't noodlot opgeleit, Die, door haar groote kracht, dwong de geneegenheid Der Koningin, om, in de plaats van my, te keuren Een ander Koning, en dien op den troon te beuren.
En eind'lyk ik bemin Kassandre; en, ach! zy heeft Myn hart, dat in het haare alleen gelukkig leeft. De Goden konden nooit een sterker liefde maaken, Noch leevendiger vlam in eenig hart doen blaaken. Ik moet, ik wil, en zal haar minnen tot in 't graf; En zal gelukkig zyn, zo ik de dood tot straf Van zulk een schoone vlam en misdaad, mag verwerven; En noch gelukkiger, indien myn straf en sterven Verdient dat zy de schuld der Koningin voldoet, Afwasschende haar vlek in 't zuiverst van myn bloed. Agamemnon. Waar ben ik? wat ik hoor! ô Goôn! wat tegenspoeden Geeft gy myn huis en my, hoe zeer ik 't wil verhoeden? Wat treft my ramp op ramp! Ga, al te waarde Zoon, Verre uit myn oogen, my met uwe min braveeren; Of wel, ondankb're Zoon, ga heen, en wil nooit keeren; Ten zy gy met berouw doet zien, dat zich uw zin Gezuivert heeft van zulk een reukelooze min.
Cookies on Poetry Cove