Vierde tooneel.
Wenseslaus, Ladislaus.
Wenseslaus.
Blyf, Prins.
Ladislaus.
Om my op nieuw te dwingen, door uw magt,
Tot laffe daân? Zult gy van my genaâ begeeren
Voor dien Verrader, die my durft zo stout braveeren?
Denk dat myn hart geen plaats meer voor vermeet'len heeft,
Dat, aangemoedigd door uw bloed, uw wil weêrstreeft,
Bemin uw Gunst'ling; laat hem van my zegepraalen:
Behou uw keur: wil zyn verwinningen betaalen,
Met uwe heerschappy: ga, zet hem op uw troon:
Maar, ly dan ook dat ik aan hem myn haat betoon',
Om met een edele verachting hem te aanschouwen.
Gedoog myn fierheid: wil uw tederheid behouwen.
Eisch nimmermeer zulk een verächte zaak van my.
Wenseslaus.
Terwyl gy zyt zo na aan de opperheerschappy,
Daar elk u, in myn plaats, zal als my zelf waardeeren,
Zo wees, myn Zoon, wilt gy met zege en rust regeeren,
Een Koning van uw hart, zo wel als van 't gemeen.
Verlaat uw dwaalingen. Wil op myn voetspoor treên.
Verwin, verwin u zelf, om aan myn wensch te geeven,
Deeze eed'le zwakheid, zo doorluchtig, zo verheeven,
En waard aan zulk een groots gemoed. Vergeef, vergeet
't Verschil des Prinsen, nu ge, als Vorst, ten rykstroon treed.
Ladislaus.
O neen! 'k heb tot myn haat te groot een recht en reden.
Ontsla my toch, myn Heer, van deeze onwaardigheden.