Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Tweede tooneel.

Orestes, Kassandra, Ismene.

Orestes. Mevrouw, 'k heb van de Goôn, die rampspoed, vrees en druk Gestaadig op hun beurt verwisslen in geluk, Myn Vader wederom; zyn leeven is behouwen. Ik dank hun goedheid, daar ik vry op mogt betrouwen. Hy kon zyn groetenis myn Moeder naauwlyks biên, En sprak ze een oogenblik; terwyl, om hem te zien, 't Gemeene Volk en 't Hof toeschietend' hem gaan eeren Als hunnen Koning in zyn heerlyk triomfeeren. Hy zal wel haast hier zyn om u te zien, Mevrouw. Mag ik, by 't aanbiên van myn hart, myn dienst, myn trouw, Terwyl u naar den staat van myne liefde vraagen? En heeft myn minnesmart, myn droefenis en klaagen, Zo groote en eed'le min, uw straf heid niet verzacht? Kassandra. Ach! wat begint ge? Goôn! altoos die zelfde klagt! Denk wel wie ik ben, en wie gy zyt, en moet wezen. Wy zyn vyanden om elkandere te vreezen. En is er onder ons wel iets dat zacht onthaal Gehengen kan, en zulk een aangenaame taal? Gy zyt een Griek: en zyn het niet de Grieksche handen Die durfden zo verwoed myn Vaderland verbranden? Verdelgen mynen Staat en Ouders? en die wreed My boeiden als Slavin, my tergende in myn leed?

En gy, myn Heer, gy zelf u veinzende verlegen Met mynen tegenspoed, en tot myn hulp genegen, Vervolgt my mede: en, zo vernoegd van geest, als bly Myn boeijens tot uw hulp misbruikende, wilt gy . . . Orestes. Mevrouw, die rede grieft noch meerder my door 't harte. Ach! zult gy eeuwig dan myn teed're minnesmarte U zelf verbeelden in een haatelyken schyn? Dan wensch ik eeuwig een misdaadige te zyn, Om nooit de hoop van zulk een heerlyk vuur te derven, En myne vlam te voên in leeven en in sterven. Kassandra. En ik, ô Prins! ik wensch voor my in deezen staat Myn ziel vervuld met schrik, met wanhoop, wraak en haat; Met traanen mynen rouw te voeden onder 't klaagen; Te vreezen, ramp op ramp te spellen,en te draagen. Orestes. Ach! wilt gy, myn Prinses, dat dit te wreed geval En ongelukkig lot dan eeuwig duuren zal? Vernielde 't Grieksche volk uw landen, staat en kroonen, De Goôn vernielen licht wel haast der Grieken troonen. Het wisselvallig lot verandert stond op stond. 'k Weet hoe men uw Stam verdelgt heeft tot den grond. Maar denk, Mevrouw, 't was ook myn Vader, die gedreeven Tot uwe hulp, uwe eer beschermt heeft en uw leeven. Hy zal, in plaats van u te houden als Slavin, U licht verheffen tot den stand van Koningin; En, om ons beider lot zo wel verëend te aanschouwen Als onze harten, zal hy u zyn Zoon doen trouwen, En u verzeek'ren van zyn landen, staat en troon. Kassandra. Helaas!

Orestes. Kan 't vuur van wraak, ontsteeken door den hoon Die u de Grieken en hun magten deeden voelen, Zyn hevigheid noch niet in hun verlies bekoelen? Te meer, wyl ik aan 't hof kan ramp op ramp voorzien. Zy kunnen met de komst des Konings licht geschiên: Egistus heerszucht kreeg hier groote magt en vrienden. Maar schoon de Grieken al uw haat en wraak verdienden, Zult gy my straffen, daar de schuld een ander draagt? My, dien gy nimmermeer in uwe Landen zaagt? My, dien de zwakheid van myne allerteêrste jaaren Niet toeliet dat ik hielp zo groote gruw'len baaren? Kassandra. Helaas, myn Heer! Orestes. Indien myn achting, liefde en trouw In u niets werkt dat my tot voorspraak strekk', Mevrouw: Wel aan, doorboor dit hart, vervuld met zo veel kwaalen: Doe vry Orestes dan zyns Vaders schuld betaalen: Ja, straf in my 't vergryp van 't gantsche Griekenland: Blusch in myn bloed het vuur van myn vermeet'len brand. Ik kan geen zachter straf voor myne min verwerven, Dan dat ik van uw hand voor uw gezicht mag sterven. Myn dood . . . . Kassandra. ô Neen: ik eisch uw dood niet. Dood uw vlam, En schuw het voorwerp liefst waar uit zy oorsprong nam. 'k Word hier verächt, versmaad: elk spot hier met myn klagten. 'k Bid u, versmaad my ook, en ban me uit uw gedachten. Orestes. Hoe! ik, Mevrouw? ô Goon! Kassandra. Zyt dan op 't minst bedacht

Dat geen gevaarlyk gif aan u werd toegebragt Om deeze elendige waar aan ge uw hart wilt geeven. 'k Ontfing zelfs onder zulk een hemelteken 't leeven, Waar door ik 't ongeluk breng met my overal, En gy, ô Prins! verwacht toch niets dan ongeval. Gy zyt uit Atreus bloed en Tantalus gesprooten: En beide zyn wy dan beklaagelyke Looten, Doch ik wel 't meest van een beklaagelyk geslacht, Ik, die myn's Minaars dood myns ondanks met my bragt En mynder vrienden ramp. Beef voor die heilloosheden. Zie wat myn Bruidegom Korebus heeft geleeden, Die straks den dood tot loon van zyne min bekwam. Zie hoe uw Ajax moest, toen zyn vermeet'le vlam Hem schielyk had verrukt, het blixemvuur gevoelen, Byna in myn gezicht. Laat dit uw vuur verkoelen. Ach! vrees hun voorbeeld, Prins: ach! vrees hun droeve straf. Orestes. Der Goden gramschap daal vry vaardig op my af. Uw Minnaar schroomt geenszins die moedig uit te daagen, Zo die doorluchte naam hun wreeden haat moet draagen. Maar 'k ben licht meer gehaat van u als van de Goôn. Kassandra. De rampen, die ik u van myne Minnaars toon, En myne vrees voor u, zyn die bewys van haaten? Orestes. Wat vreugd, Mevrouw! Kassandra. Bedaar, en wil u niet verlalaten Op die bedriegelyke aanloksels, op dien schyn Van gunst en hoop: niets kan zo ongelukkig zyn Als 't lot van zulk een' Held, dien myn geheiligde oogen Met min ontstaaken, en met minlyk mededoogen. Waart gy van my bemind, wat was uw rampspoed groot!

Orestes. En mint ge my dan niet? en mag ik in dien nood . . . Kassandra. De Koning komt. Myn lot en alles is u tegen. 'k Vind in uw Vader zelf een hinderpaal gelegen, Zo groot als in 't geval, de Goôn, myn pligt en eer. Orestes. Helaas! zo gy myn min niet haatede al te zeer, Zo durfde ik van de liefde eens Vaders alles wachten. Wat zuchten zal het bloed niet hooren, en verzachten?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove