Achtste tooneel.
Orestes, Pylades, Ismene.
Orestes. Wat wil dit snel vertrek? Wat angst komt my bestryden? Welk een verbaasdheid! ach! ik vrees op nieuw voor lyden. Maar 'k zie Ismene, Goôn! Ach! haar ontsteldheid is, Myn Vriend, een voorspook van noch grooter droefenis. Wat wil dat schreijen, en dat zuchten my doen hooren? Ismene. 't Raakt u. Helaas, myn Heer! wat leed is u beschooren! Kassandra leeft niet meer. Orestes. Kassandra leeft niet meer! O gramme Goden! hoe verdrukt ge my zo zeer? Zie daar 't geheim dan van die traanen, en 't vertrekken Van myne Moeder, om die smart my niet te ontdekken. Ismene. Ach! Klytemnestra heeft met een verwoeden zin, Kassandra zoekende te onttrekken 's Konings min, Egistus met geweld verlost uit zyne banden. De Wreedaard, opgehitst, scheen zyn woên te branden Van yver tot den moord: hy zoekt Kassandra, daar Zy in den tempel bid. Zo dra die snoô Barbaar Ziet zyn slachtöffer voor zyn stout gezicht verschynen, Vliegt hy straks na haar toe, gevolgd van al de zynen, En roept, terwyl hy haar moordaadig 't hart doorstoot: Sterf, overschot van Troje; ontfang, ontfang de dood:
Gehaate schoonheid, die hier kwaamt het twistvuur stooken! De smart der Koningin werde in uw bloed gewrooken. Zy sterft, valt neêr, en zegt: Helaas! ik heb geleeft; Myn leed is nu ten eind: 'k heb nooit myn lot weêrstreeft, Ik sterf gerust: Maar ach! Orestes wat al schroomen, En smarten zullen noch uw liefde al overkomen. En volgen stond op stond! Wat 's myn geneegenheid Voor u bekommerd, om het leed u toebereid! 'k Wensch dat myn dood uw lot mag minder doodlyk maaken. Men zag allengs hier op haar leevensëind genaaken. En met een strak gezicht, dat drong door 's hemels troon, Scheen zy voor u, en zich, dat goedheid van de Goôn Te smeeken voor het laatst, en heeft den geest gegeeven. Ik ga, wanhoopend, van myn ongeduld gedreeven, Om Agamemnon te verzoeken tot haar wraak.
Cookies on Poetry Cove