Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Vyfde tooneel.

Trasimond, Sophronia, Narbal, Justine.

Sophronia. Ik kom . . . Gy zyt ontsteld door my te zien, myn Heer!

Mag ik gelooven 't geen de Koning my deed hooren? Trasimond. Ach! tot myn leed, is 't waar het geen u kwam ter ooren, Hy breekt het trouwverbond van Hunnerik, en u; Schikt u een Prins tot man, wiens hart voor ontrouw schuw, Zich zelf niet waardig acht, om 't uwe uit gunst te ontfangen. Sophronia. Zou 't ook wel zyn dat ik door 't minnelyk verlangen, Door een verbeelding, die zo zorgelyk als zoet, Al van myn eerste jeugd verheerde myn gemoed, Hem kwaalyk heb verstaan? Als liefde ons komt verwinnen Dan vleit men eeuwig met een zoete hoop zyn zinnen. 'k Dacht waarlyk door de drift, die my het hart doorwond, Dat zekerlyk de Vorst myn zielsgeheim verstond, En my dien waarden Held, wiens glans alle oogenblikken Myn hart door min ontrust, zou tot Gemaal toeschikken. 'k Verbeeldde my een lot zo vol geluk: maar ach! Ach! oordeel zelf, myn Heer, of ik 't gelooven mag: De Bruidegom, aan wien men, denk ik, my zou trouwen, En die myn hoop vleit, is ontzaghlyk in 't aanschouwen: Een opslag van zyn oog, zo vol van glans als deugd, Baart tevens in de ziel ontroering, liefde, en vreugd; Een trek van vriendlykheid, en fierheid, die zich mengen Bevallig onder een, en op zyn aanschyn brengen Iets voegelyks, iets groots, dat elk alom behaagt; Een dapperheid, een roem waar van al 't aardryk waagt. Een eed'le ziel, verstand en jeugd, die elk kan blaaken, Aan deezen Prins alleen het alles waardig maaken, Om alle harten te bezitten naar zyn zin. Trasimond. 'k Dacht dat myn Broeder het geluk had om uw min Te winnen, en uw hoop en wenschen te vernoegen.

Ik heb 't geval, dat zich hier toe niet schynt te voegen, Reeds wreed genoemt, terwyl 't zo groot een huw'lyk brak, Daar, naar myn oordeel, zo veel heil en roem in stak. Maar ach! ik zie. . . . . . Sophronia. Indien gy wist met wat voor krachten Dat ik myn pligt, en eer heb zoeken te betrachten, Gy zoud de vlam, die ik laat blyken, dan misschien Met min misnoegen, en met meer behaagen zien. Helaas! wien is ooit magt van zyne drift gelaaten? Het hangt niet aan ons hart of 't minnen wil, of haaten: 't Kiest eeuwig blindeling, en staat geduurig bloot Voor 't vast besluit der Goôn, en d'onvermydb'ren nood. Zo lang men hielt de trouw aan my zo dier gezwooren, Heb ik de vlam, die ik alleen wist, kunnen smooren. Gy kende zelfs 't geheim noch niet van myne smart, Indien Prins Hunnerik niet elders gaf zyn hart. 'k Had aan de rust van 't land, waar in ik kreeg het leeven, My opgeöffert, door de wanhoop aangedreeven: Maar nu me een zachter lot in volle vryheid stelt, Zult gy ook myn geluk weêrstreeven, braave Held? Gy hebt op die ik min een ongemeen vermoogen, Ja, meerder dan hy had op myn gemoed en oogen. Maak gy myn noodlot, Prins. Trasimond. Hoe! ik, Mevrouw? Sophronia. Ja, gy. 'k Zeg u niet meer. Helaas! 't is noch geen tyd voor my, Om u geheel myn hart te ontdekken met myn lyden: Doch wil my midd'lerwyl van zulk een echt bevryden, Die my onwaardig is; waar toe, gelyk gy zegt,

De Vorst my heeft terstond veroordeelt buiten recht. O wond're werking van een zoet en teêr verbeelden! Die 't hart voert in een zee van aangenaame weelden, De Minnaars door een sterk gety van drift beroerd! Wat gy my zegt, 'k geloof nochtans, hoe zeer vervoerd, Dat my de Vorst sprak van den Prins die my doet blaaken. Ontdek my toch, kan 't zyn, myn Heer, 't geheim der zaaken. Breng me uit de dooling, die te lang myn rust verbrak. Wil my den Bruidegom, waavan de Koning sprak, Op myn verlangen en gebeden, toch ontdekken. Laat zyn gebreeken my afkeerigheid verwekken. Trasimond. Mevrouw, die Bruidegom sproot uit een eed'le stam, En vorstlyk heldenbloed, waar uit hy voedsel nam. Hy heeft een teed're ziel, en wierd zomtyds gepreezen. Hy's, eind'lyk niet onwaard om u Gemaal te wezen, Dan maar alleen om dat zyn liefde, hart, en zin Voor u niet zyn kan; wyl een ander heeft zyn min: En 't is onmoogelyk die liefde te overreeden. De magt des Konings, die van uw aanloklykheden, Ja zelfs geen dood, hoe fel, kan ooit die doen vergaan. Zo is die Bruidegom. Sophronia. Ach! wat heb ik gedaan? Ik ken dien Bruidegom, waar op uw zinnen speelen. Het was vergeefs dat ik dit langer zocht te heelen. 'k Verstaa den grond van uw, als gy doet van myn hart.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove