Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Eerste tooneel.

Ariadne, Nerine.

Nerine. Mevrouw, betoom uw zelf, in droefheid uitgelaaten. Wat kan die wreede woede en 't ongeduld u baaten? Uw klagt, welke u vervoert, en elk verbaast, begon Van deezen morgen al voor 't opgaan van de zon. Gy maakt, dus dwaalende in 't paleis, zaal op zaal neder, De smarte ruchtbaar die uw ziel gevoelt te teder. Wat klagten, zuchten, en wat traanen stort gy niet? Ariadne. Ik ben verraân. Waar vinde ik rust in myn verdriet? Hoe! die volmaakte vlam, die me al 't geluk kon geeven, Die 'k dacht dat duuren zou veel langer dan myn leeven, Dat vuur, dat waarde vuur 't welk my te veel verheert, Is in het hart van myn Ondankb'ren reeds verteerd, Ja, Thezeus smoort dat met vermaak! kan 't mooglyk wezen? 'k Stel in de dood myn hoop: ik hoef niets meer te vreezen. De ontrouwe Minnaar spot met myne trouw: en schoon Hy leefde altoos, hy leeft voor my niet meer, ô Goôn! Wat doet Pirithoüs, Nerine? zal hy koomen? Nerine. Ik deê 't hem weeten. Ariadne. Ach! wat kan de drift betoomen Van myn vervoerde ziel? wat voelt ze al smart en spyt! Nerine. Wat hulp verwacht ge, in uw onheelb're minnenyd, Toch van Pirithoüs? wat kunt ge aan hem verklaaren?

Ariadne. Hoe! vraagt gy wat ik hem zou kunnen openbaaren, In de overmaatige verbaasdheid van myn hart? Schoon nooit te stuiten waar' de loop van myne smart, Mag ik van 't kwaad, dat me eeuwig drukt, niet eeuwig klaagen? Gy zegt dat gist'ren, op den avond, elk by vlaagen Te morren scheen, en sprak verscheiden van myn leed En droevig ongeval; dat niemand beter weet Of Ciané ontstak myn Thezeus hart. Nerine. 't Vertrouwen Is meest op haar, wyl hy ze vaak kwam te onderhouwen: Maar 'k weet niet of men hier in recht de reden vind, Hy zag ook Phedre; en is het Phedra die hy mint? Ariadne. Waarom beminde hy haar niet? 'k Had kunnen hooren, Door haar, zyn nieuwe vlam zo dra ze was gebooren: Ik had ze licht gestuit in de eerste hitte en magt. Hebt gy geen and're, dan myn Zuster, die de kracht Van myne wraakzucht treffe, en gy verdacht kunt maaken? Nerine. Licht waar 't vergeefs getracht haar fiere ziel te blaaken. Maar die een Minnaar, die zo veel verdiensten heeft, En te behaagen weet, zo weinig wederstreeft In hem te hooren, kan ook zwygen en beminnen. Ariadne. Hoe! zoude ik Phedra dan verdenken in myn zinnen! Hoe! haar? die onzen ramp my te voorzeggen scheen, Van Krete gaande, met haar zuchten en geween, Na dat ik haar, by na met eindeloos te kwellen, Besluiten dood om my in 't vluchten te verzellen? Nerine. Gy hebt voor haar ook niet te vreezen, wyl ge kent

Haar trouw, die in uw dienst, begaan met uw elend', Eêr sterven . . . . Ariadne. 't Zy zo; 'k wil haar zien. Ga, laat haar weeten Dat ik haar wacht: vraag of de slaap haar doet vergeeten Een Zuster, die in haar afwezen meerder schreit. Ach! wat geluk heeft ze in haar onverschillendheid! Haar rust word niet beroert door zorgen, noch door schroomen. Pirithoüs verschynt. Ga laat haar spoedig koomen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove