Vyfde tooneel.
Genserik, De Keizerin, Ispar, Camille.
Genserik. Mevrouw, wy moeten nu elkaâr van haat ontslaan. Gy krygt uw vryheid, naar uw wenschen en verlangen: De Tyber zal u aan zyn boorden haast ontfangen: Van honderdduizend man, vol moed en dapperheid, Zult gy u zien verzeld, en derwaarts heen geleid. Zy zullen u met roem herstellen in uw staaten, Of alle in 't heet gevecht het eerlyk leeven laaten: Ik zal die zelf gebiên, en zweer u by myn kroon, By de aarde en hemel, en de groote magt der Goôn. . . . De Keizerin. Bewaar uw eeden voor die lichter zal gelooven. Zy zyn onmagtig om 't gevoelen te verdooven Van myn verdrukten staat, en 't onbeschaamd geweld Van uwe trouwloosheid, die my in boeijens knelt. Uwe eeden zyn, gelyk de wind, zo licht vervloogen, Waar van ik lang genoeg vloekwaardig ben bedroogen: Dies is 't onmogelyk dat ik, dat ik noch zou, Na dat gy, tegen uw beloften, eer en trouw, Karthaag, en Lybië dorst door verraad verwinnen, Uw eerlooze eeden plaats vergunnen in myn zinnen. Genserik. De pligt van eer en eed hield nimmer Vorst in dwang. Die waan zwicht eeuwig voor 't zwaarwigtig staatsbelang; En van uw smart, Mevrouw, hoeft gy niet meer te klaagen. 'k Breng u naar Romen, daar ik alles voor zal waagen, De Keizerin. Heeft Romen noch iets meer voor uw roofzieke lust?
Genserik. 'k Ga daar alleen uw staat herstellen en uw rust. De Keizerin. 'k Wil niet meer dienen om u boosheid te bedekken, Noch tot een voorwerp van uw woedende oorlog strekken. Zoek, om 't Romeinsch gebied te plaagen, and're reên. Genserik. 't Voorneemen dat ik heb, om, door de plegtigheên Van 't huw'lyk, uw geslacht aan 't myne te verpligten, Laat blyken hoe oprecht ik alles wil verrichten. De Keizerin. Hoe! door het huwelyk verpligten myn geslacht Aan 't uwe? Hemel! Genserik. Ja, die heb ik lang gedacht. 't Is Hunnerik, die 'k aan uw Dochter op kom draagen. Zo schoon een keur moest haar bekooren, u behaagen. 'k Stelle u in vryheid, in uw staat, en op uw troon, Zo ik uw Dochter mag zien trouwen met myn Zoon. De Keizerin. 'k Stiet eêr met deeze hand 't staal door haar boezem heenen: Zo zou zy nooit met my die schand'lyk echt beweenen. Verander, Genserik, verander toch van zin. Kan 't zyn dat Hunnerik zou trouwen uw Slaavin? Neen; hy zal nimmermeer tot zulk een lafheid komen. 'k Wensch liever dat my straks het leeven word benomen, Eêr ik dit lyden zou. Genserik. Ik word te veel getergt. Maak dat gy myn geduld noch goedheid meerder vergt. Ontfang deeze eer, die uw Verwinnaar u wil schenken, Wie kan voor uw geluk en staat iets grootscher denken?
Ik zou. . . . . . De Keizerin. Ik zou 't geval bedanken in myn nood, Indien uw snoode ziel bevel gaf tot myn dood: Gy kunt in myn verdriet, dat ik moet eeuwig vreezen, Daarom niet meerder wreed, noch minder schuldig wezen. Genserik. Die lust tot uwe dood, en dat vervoerd verstand, Is maar een knaaging van uw misdaad en uw schand'. De Keizerin. Een die geen misdaad heeft, zal voor geen knaaging schroomen. Genserik. Hoe word by u de dood van Maximus genoomen? Hy was. . . . . De Keizerin. Hy was, als gy, Barbaar, een snoo Tyran. Ik heb op hem de dood gewrooken van myn Man. Hy dorst, na dat hy hem berooft had van het leeven, Gesterkt van muiters, door zyn staatzucht aangedreeven, Stout overweldigen zyn Ryk en Bed, ô Goôn! 'k Verkropte met geduld zulk een vervloekten hoon, Om door dit middel my op 't zekerste te wreeken, En, na den bruiloftsnacht zyn hartaâr af te steeken: Ik heb 't gedaan, en laat een voorbeeld om dit spoor Te volgen, wine het lust, de gantsche waereld door. Die zonder wreeken leeft, is 't leeven niet meer waardig. Genserik. 'k Versta u wel, Mevrouw: die reden, zo hovaardig. . . De Keizerin. Die drukt ik dag op dag myn Dochter in 't gemoed, Op dat zy nimmer werd verbasterd van myn bloed. Zy leert van my hoe zich de hooggebooren harten
Grootmoedig wreeken, naar de grootheid van hun smarten. Genserik. 'k Merk in uw trotse taal en wreede woede, altyd 't Wraakgierig bloed, waar uit dat gy gesprooten zyt. Die drift, waar door uw geest zo sterk word aangedreeven, Heeft Thessalonika gevaarelyk doen beeven, En kon Italiën eerlang wel doodlyk staan. De Keizerin. Ja, op een dag Karthaag van uw geweld ontslaan. Beef, beef, myn Heer: laat af, laat af van 't ydel poogen. Eudoxe, die gy wilt doen trouwen voor myne oogen, Met uwen Zoon, die is myn Dochter; en de stam Van Theodosius, waar uit ik oorsprong nam, Is heet op wraak, en zou het grootste hoofd niet spaaren. Genserik. Laat my die zorg, Mevrouw: ik zal dat hoofd bewaaren. Dat morgen de Prinses gehoorzaam' myn bevel. Daar is zy zelf. Ik laat u t'zaamen.
Cookies on Poetry Cove