Eerste tooneel.
Prusias, Arsinoë, Araspes.
Prusias, tegen Araspes. Lei Nicomedes hier. Mevrouw, betoom uw lyden, Helaas! uw zuchten zyn 't die my de ziel doorsnyden. Waarom myn hart met zo veel droefheid overheerd, 't Welk, zonder dat gy schreit, u geeft wat gy begeert? Waarom my dus bestormd, met traanen en met smeeken? My is zyn schuld, en uw onnoozelheid gebleeken. Ziet gy niet hoe myn hart, van 't geen hy heeft gezeid, Geen indruk voelt, noch word door valschen waan misleid. Arsinoë. Ach! is 't wel moog'lyk om den laster te verdryven, Die 't snood bedrog zo loos de onnooz'len aan kan wryven? Men zag de loogen, van de waarheid, nooit zo zeer Ontdekt, dat zy de deugd herstelde in voorige eer. Hoe veel aanhangers van den Prins, en lasteraaren Zyn aan uw hof, die, als zy hooren my bezwaaren Met loogens, zullen straks gelooven, dat uw min. Alleen rechtvaardige een strafwaarde Gemaalin! En zo myn naam maar zal de minste vlek behouwen, 't Gemeen myn eer en deugd blyft eenigzins mistrouwen, Kan ik u dan wel zyn zo aangenaam? ô Neen! Dunkt u dan dat die vrees niet waard is dat ik ween? Prusias. Ach! gy vreest al te licht, in uw ontroerde zinnen, Voor een Gemaal, die u bemint, en moet beminnen. De deugd blinkt, door den damp van laster, met meer glans;
Gelyk het daglicht, na den nacht, aan 's hemels trans. 'k Zie Nicomedes daar verschynen. 'k Wil op heden . . . .
Cookies on Poetry Cove