Darde tooneel.
Herodes, Pheroras, Sohemus, Thares.
Herodes. Helaas! Sohemus. Wat smart, ô Vorst! wat schrik ontroert uw zinnen? Wie kan uw wakk'ren moed vervaaren? wie verwinnen? Welk een zwaarmoedigheid speelt in uw aangezicht? Pheroras. De droeve duisterheid wykt pas voor 't blyde licht: Dat groet al 't aardryk met een aangenaamen morgen, En ik zie reeds uw ziel ontrust van angst en zorgen, Daar gy in vreê bezit een onbepaald gebied. Wat schielyke oorsprong schiep uw onverwacht verdriet? Men zie dat gy noch rustte, als ge in het hof liet hooren Een naar geroep. Herodes. 'k Beken, ik kon myn schirk niet smooren. 'k Ben schielyk en ontroerd zo daadelyk ontwaakt, Door zulk een naar gezicht, dat my bekommerd maakt, En myn verbaasden geest veel rampspoed komt voorspelden. Pheroras. De bangste droomen, die men denken kan of melden,
Behoorden nooit uw hart met angsten te overlaân; Dat heldenhart, dat elk dwingt door zyn oorlogsdaân, En nimmer vreest, maar tart de grootste lyfsgevaaren. Dit zyn gezichten, die voor eeuwen lang al waren Bedriegeryën vol van ingebeelden schrik. Herodes. Die droom benauwt myn hart. Op yder oogenblik Schynt myn verbeelding hem voor myn gezicht te maalen, Met al de afgryslykheên en het gevolg der kwaalen. Wat wacht ik ramp op ramp uit deeze ontsteltenis! Pheroras. Wie weet iets zekers van 't geen noch toekoomende is? Herodes. Als onze Broeder, die getrouwe, ging verlooren, Door 't ongelukkig lot, zyn 's leevens eind beschooren, Wierd ik gewaarschuwt van zyn ongeval en nood, En op een zelve wys verwittigt van zyn dood. Ik zag op d' oever des Jordaanstrooms de yslykheden, Die my voor af't verhaal dier droeve tyding deeden. De gantsche waereld word reeds voor myn hart te bang, Daar ik gedreigd word met een droeven ondergang. Sohemus. Hoe! zal uw dapp're ziel, uw oorlogsyver beeven, En schrikken voor een droom? gy, die, zo hoog verheven, Kunt de onwaardeerb're vrucht van uw onsterf'lyke eer Gerust genieten, daar 't geluk u volgt, myn Heer. Herodes. Ik zal met deezen droom. 't leed dat ons schynt beschooren, En d'oorsprong van myn schrik en vrees u laaten hooren. . . . Maar Salomé komt hier van pas: zy zal misschien Met haaren schrand'ren geest 't verborgen kunnen zien Van dit gezicht, dat stout myn staat dreigde en myn leeven.
Cookies on Poetry Cove