Tweede tooneel.
Herodes, Mariamne, Salome, Pheroras, Judas, Thares, Raadsheeren.
Herodes, tegen Mariamne. Kom hier, Rampzalige, en verdoemenswaarde Vrouw, Die ik myn halve ziel schonk, met myn liefde en trouw, Welke ik, door 't echtverbond, genoopt van 't minlyk blaaken, Liet tot Meestresse van myn eer en grootsheid maaken. Zie uw verraad, in zyn geboorte, snel vergaan.
Uw valstrik is ontdekt, en gy zyt zelf verraân. Ja, uw gegraaven Myn, door veel bedekte wegen, Heeft, tot uw ondergang, een open lucht gekreegen. Ik, 't voorwerp van uw wraak, zie, door een god'lyk recht, De pylen, die gy op myn borst had toegelegt, Gekeerd, om u wel scherp in 't booze hart te steeken. Nu 's waarheids licht komt door de mist van logens breeken. Kunt gy uw schuld met schyn van onschuld wel bekleên? Mariamne. 'k Versta die rede niet: zy is vol duisterheên, Gelykende naar 't bloed waar uit gy zyt gebooren. Herodes Trouwlooze, laat gy my noch zulk een trotsheid hooren? Mariamne. Durft gy myn onschuld met zo zwaar een schuld belaân? Herodes. Gy dorst wel uw Gemaal en Koning stout verraân. Mariamne. 't Is een verraad, gelyk gy zyt gewoon te smeeden, Om, onder schyn van recht, de Onnoos'len te vertreeden. Herodes. Uw schriklyke aanslag, en dit spooreloos verwyt, Waar van myn rykskroon beeft, 't geen my de ziel doorsnyd, Zal, door de dood, haast zyn beroofd van alle krachten. Tegen den Raad. In plaats dat zy haar schuld met zoetheid zou verzachten, Zo spreekt zy niet één woord, of 't is vol bitterheid; Noch 't alderminst', dat voor haar schuld, of onschuld pleit. Tegen Mariamne. Verweer, verweer u zelf, boosäardigste aller Vrouwen, Van 't geen uw hand heeft tot myn ondergang gebrouwen.
Tegen den Raad. Men moet, op dat zy overtuigd werd van de daad, Haar hooren, en met een d' aanklaager van 't verraad. Nu zy dit merkt word zy beschaamt, en zeer verleegen. Tegen Judas. Kom, zeg hier voor den Raad, hoe gy, tot my genegen, Het kwaad ontdekte, 't geen bedacht was tot myn dood. Maar dat de waarheid zich vertoone oprecht en bloot. Gy zult de misdaad niet verkleinen, noch vergrooten. Judas. De donder plet my! 'k moet voor eeuwig zyn verstooten, Indien het zo niet is, als ik 't ontdekte, uit pligt. Herodes. Kom, overtuig haar, hou het staande in haar gezicht. Spreek. Judas, tegen Mariamne. Zo 'k niet alles was verschuldigd te openbaaren, Gy hoorde nimmer my dit tegen u verklaaren. Doch 's Konings groot gevaar, myn pligt, myn deugd en trouw, Ja alles dwingt my, dat ik 't melden moet, Mevrouw. Mariamne. Wat, Booswicht? Judas. Hoe ik steeds van u ben aagedreeven, Dat ik den Koning zoude in zynen drank vergeeven. Mariamne. Gedrocht, dat uit de hel gesprooten is, alleen, Om hier de Onschuldige voor schuldig te vertreên! Durft gy wel, zonder schaamt', herhaalen deeze loogen? Ik zoude uw vuile daad straks straffen voor elks oogen, Zo gy niet wierd gesterkt van hun, die, dol van haat, U onderweezen, daar zy zelf verzierden 't kwaad.
Ja, gy behoort de dood om 't vuil bedrog te lyden. Maar neen, men zal u wel van alle straf bevryden. Uw Medestander is myn Rechter, welk een druk! Doch ik vergeeve aan u dit godloos lasterstuk. Gy dient, om uw belang alleen, vervloekter zielen Dan gy zyt, om de deugd boosaardig te vernielen. Gy wierd hier toe gekocht, geperst van hun, die wreed De Onnooz'len zyn gewoon te smooren in hun leed. Herodes. 't Waar nutter dat gy trachtte u zelve, op myn begeeren, Van 't Kwaad, waar meê men u beschuldigt, te verweeren. Gy zult bekennen; of, ontkent gy deeze daad, Hier overtuigen de Getuigen van 't verraad. Mariamne. Door list, of door geweld, zal 't u onmoog'lyk wezen Myn ziel te dwingen, die niets hoopen kan noch vreezen, Tot het bekennen van een zaak, die 'k nimmer dacht. Neen, 'k waar den roem niet waard van 't heerelyk geslacht, Daar 'k uit gespooten ben, zo ik het dorst besmetten Met daaden, die het zoude in eeuwige onëer zetten. Myn hart, door 't noodlot steeds met rampen overlaân, Lyd met geduld 't verraat, maar kan het nooit begaan: Schoon 't wierd getergt, genoopt door overvloed van reden, En 't vry stond 't spoor van uw snoô daaden naar te treeden. Herodes. Wat snoode daaden zyn u toch van my bekend? Mariamne. Uw wreed geweld, bedrog, en plaagen vol elend', De moord eens Grootvaârs, en de doodslag van myn Broeder. Herodes. Zy maakt myn gramschap noch hoe langer hoe verwoeder, Ik kan die naauw'lyks hier bedwingen voor den Raad.
O helsche Plaag, en Pest, zo schand'lyk aan myn Staat! Gy kunt, om my te doôn, 't venyn wel zaamen mengen, Maar uw vergifte mond zal zonder voordeel brengen Haar dood'lyke akonyt op myn verkreegene eer: Die blinkt zoo heerelyk, dat gy ze nimmermeer Besmetten kunt. O neen! ik lagche om al uw woeden, En last'ren; want gy kunt u zelven niet behoeden. Gy meent dat gy my kwetst, terwyl ge u dood'lyk wond. Ontrouw, dit verwyt is valsch, en zonder grond: 't Kan klaar uw boosheid, en verraadery ontdekken, En 't is genoeg om tot uw ondergang te strekken. Herodes, tegen den Raad, na dat hy een teken aan Thares heeft gegeeven, om Mariamne wat ter zyde te leiden. Gy, Heeren, geeft terstond een uitspraak naar de wet, Die op de moordenaars der Vorsten is gezet. De misdaad eischt het zelf dat gy my recht moet geeven: 'k Begeer het ook van u. Pheroras. 't Kwaad is zo stout bedreeven, Als onvergeevelyk, mijn Heer. Salome. En tot haar straf Is ééne dood alleen te weinig, en te laf. Eerste Raadsheer. Indien de Vorst haar geen genade laat verwerven, De misdaad, en het recht gebiên dat zy moet sterven. Tweede Raadsheer. Ten minsten, dat zy werd in boeijens strikt bewaart, Zo lang 't vergif niet klaar de misdaad openbaart. Herodes. Hoe! haar Beschuldiger was altyd onbesprooken; Een amptman, aan wiens trouw noch nooit iets heeft ontbrooken,
Die my al overlang ter tafel heeft gedient. Zou zy tot zulk een dienst wel ooit bekwaamer vriend Gevonden hebben? Neen, die slag was niet te ontwyken. Doch zo de waarheid moet door meer getuigen blyken, Zy heeft'er duizenden in 't overtuigde hart, Die haar beschuldigen met wroeging en smart; Dat hart, het geen haar zelf veroordeelt om te lyden Een straffe dood, waar van haar niemand kan bevryden. Mariamne. Vaar voort, vaar voort, Barbaar: blyf zonder deerenis. Gy doet me een dienst, die my op 't hoogst gevallig is. Uw haat, die toeleid op myn leeven, door veel plaagen, Kan my veel meerder, dan uw liefde ooit deed, behaagen. Uw woên stemt overëen met myne afkeerigheid. Als gy myn leeven dreigt, dan word myn hoop gevleid. Uw ongenade kan my voor genaâ verstrekken: 'k Behoorde uw wreedheên, welk een leed ze aan my verwekken, Met vreugd te zegenen: want ik ga, door de dood, Daar 'k eeuwig leeven zal, bevryd van allen nood. Myn hoofd zal van den slag, dien gy 't zult doen ontfangen, Ten Hemel vliegen, om een schooner kroon te erlangen, Dan deeze is, welker glans braveert den diamant, Bevryd voor 't woeden van een laffen Dwingeland. En zo 'k, in deeze vreugd, noch werd ontroerd tot klaagen, Het is om dat ik voel het Moeders hart doorknaagen Van alle tedere gevoelens. Ach! ik laat Myn lieve Kinders in den jammerlyksten staat. Hun naakende onheil maakt my droevig lot veel kwaader. Helaas! die Zoonen van d' onmenschelyksten Vader, Zyn eed'le spruiten, uit een stam wiens heerlykheid Langs aarde, en zee, zyn roem en glans heeft uitgespreid. Die kleine Weezen, ach! wel haast van allen zegen,
En yders hulp ontbloot, (wat ziel zou 't niet beweegen?) Zyn al 't meêdoogen waard, en myn bedroefd geklagh. Natuur bestormt het hart eens Moeders. Hemel! ach! My dunkt ik zie hen al, door de onbarmhartigheden Eens Stiefmoêrs wreed verdrukt, mishandeld en vertreeden. Herodes. Op deezen stond, wanneer ik onverbid'lyk scheen, Word my het hart ontroert van haar bedroef geween. 't Schynt dat de Liefde, die haar zyde heeft gekooren, Den band verbreekt van myn gerechte wraak en tooren; Alleen om dat ik haar vergiff'nis geeven zou, Die haar myn min opdraagt, als ik haar glans aanschouw. Ja, 't medelyden heeft zyn kracht in my begonnen. Gy eischt voor haar genade, ô Liefde! ik ben verwonnen: Ik sta ze u toe. Maar wil ook maaken dat haar hart Heeft mededoogen met myn vlam en minnesmart. Geef, geef, kan 't zyn, dat haar de misdaad mag berouwen: Dwing haar gezicht om my wat gunstiger te aanschouwen: Laat ze myn goedheid toch erkennen, met meer reên, Met minder fierheid al myn zuchten en gebeên: Geef dat zy voor myn min geen meerder haat mag draagen: Laat ik haar hart, als zy het myne, toch behaagen: Ja, doe haar zien hoe teêr dat ik haar heb bezint, En kan het zyn, ô Min! maak dat zy my bemint. Tegen den Raad. De liefde ontvonkt myn vlam, die 'k niet meer kan weêrstreeven. 'k Vergeef de Koningin al 't geen zy heeft misdreeven. Laat ons alleen, op dat myn vriendschap haar gemoed Mag overtuigen van haar haat, die op my woed.
Cookies on Poetry Cove