Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Tweede tooneel.

Theodora, Frederik, Izabelle.

Frederik. Ik werp my, van myn pligt en yver aangedreeven, Opoff'rende, Prinses, aan uw belang myn leeven, Voor uwe voeten neêr. Theodora. Mag ik op uwe trouw My, zonder vleijen, wel beroemen? Frederik. Ja, Mevrouw. Neem vry de proef daar van: zie of myn moed zal zwichten. 'k Wacht uw bevel alleen, om alles te verrichten. Ontdek my uwen wil; terwyl myn hart en hand, Om u te dienen, van verlangen zucht en brand. Theodora. 'k Eisch zulk een proef geenszins van u voor myn belangen; Maar op een zaak slechts uw bekentenis te ontfangen. Frederik. Gebiê. Wat is uw wil? Theodora. Te hooren uit uw mond Welk een bekoorlyk beeld uw hart zo heeft doorwond, Dat gy het stelt voor 't loon van uw beroemde daaden? 'k Dacht dat uw ziel steeds om Kassandra was belaaden Met een zwaarmoedigheid, die straalde uit uw gezicht; Maar hier van heeft de tyd myne oogen klaar verlicht. Frederik. Mevrouw, myn min nam een verheven vlucht met schroomen. Doch, door myn pligt heb ik my alle hoop benoomen; Dies durf ik u haar naam. . . . .

Theodora. Dien wil ik dat gy meld. Frederik. Zy is . . . Maar ach! myn tong, door diep ontzagh bekneld, Verzoekt dien dienst, Mevrouw, van uwe bekoorlyke oogen. Noemt gy, gy zelf, met myn ontsteltenis bewoogen, 't Aanbid'lyk beeld dat door zyn glans my heeft verrukt. Uw schoone hand heeft in dit schrift zelf uitgedrukt Haar waarden naam, die in myn hart ook staat geschreeven. Theodora. Schoon uw verdiensten u in 't hof veel vryheid geeven, Nochtans . . . . Frederik. 'k Heb, zonder u te minnen, in myn zin Al lang veroordeelt myn vermeet'le drift en min; Ja, zelfs alle onrust, om uw rust geenszins te stooren, Geleeden, trachtende myn minnevlam te smooren. Maar ach! beschuldig hier het noodlot van, niet my, Om het verheffen van een hoop, wiens hovaardy Reeds is vernederd, door de reden, om nooit weder Zich zelf te vleijen, hoe volmaakt ze ook zy en teder. Theodora. Mag ik my dan, zo 'k magt verkreeg op uw gemoed, Een trouw proef hier van belooven? Frederik. Ja, de gloed Van myn verliefde ziel kan alles moog'lyk maaken; En zelfs de onmoog'lykheid gemak'lyk, welke zaaken Gy tot u dienst ook eischt. Theodora. Dat ik van u begeer Zal u wel moeilyk, maar ook heerlyk zyn.

Frederik. 't Zal de eer En luister van myn brand tot meerder glans verstrekken. Theodora. Ik wil dat gy die hoop voorzichtig zult bedekken, Wiens hovaardy uw eer besmetten zou met schand'. 'k Wil ze u doen zwygen: meld nooit d'oorsprong van uw brand. Laat niemand ooit in 't ampt van uw vertrouwling treeden Dan uw eerbiedigheid, bescheidenheid en reden. Ja, eindelyk moet gy naar myn heer Vader gaan, En eisschen daar, voor my, 't loon van uw dapp're daân. Verzoek van hem, eêr dat zyn gramschap werd verwoeder, In plaats van onze trouw, genade voor myn Broeder. Voorkom het vonnis, door uw hulp, in deezen nood. Bewaar myn leeven toch, in 't zyne, voor de dood. Kan zulk een zwaare proef uw liefde wel behaagen, En is uw hart bekwaam om deezen last te draagen? Frederik. Ja, en noch meer dan gy myn min hebt opgeleit. 'k Zal, nu zy schuldig is, van haar hoogmoedigheid U wreeken, en uw wil volvoeren; alles lyden, En, met myn leeven, haar den weg van hoop afsnyden; Ja, voor de minnaars zyn een spiegelende baak. Theodora. 'k Verbiede u dit. Laat, laat aan my alleen de wraak; En, zo ik eenig recht heb op uw hart verkreegen, Zo kom dit na, en wilt myn last wel overweegen. Vaar wel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove