Zesde tooneel.
Herkules, Iöle, Lichas, Dirce.
Iöle. Myn Heer, indien uw liefde eischt een slagtöfferhand', Neem die: maar wacht u voor een misdaad zo vol schand'. Zie op wat hoofd dat gy den donder van uw tooren Neêrstorten laat, en wien gy hebt zyn val gezwooren. Neen, Philoctetes heeft dien niet verdient. Keer, keer 't Lot, dat hem dreigt, op my: straf, straf; ja straf, myn Heer, Al myn misdaadige en vergifte aanloklykheden. Die, die zyn schuldig dat hy my heeft aangebeden, En trouw bemint. Herkules. Dit trouw beminnen, zo vol schuld, Verwekt myn gramschap, spyt, en hevig ongeduld. Hoe kunt gy denken dat myn gramschap hem zal spaaren, Terwyl ge in myn gezicht dus stout durft openbaaren Dat gy my zo zeer haat als gy hem trouw bemint? Neen, nu 'k niet straffen kan uw wreedheid, gantsch verblind, Zal ik ten minste my aan Philoctetes wreeken, Die de oorzaak is dat ik blyf van uw gunst versteeken. Nu hy, die alles dwong, zich zelf niet dwingen kan, En gy hem geenszins wilt beminnen, vreest hem dan. Iöle. Gy zyt, maar al te veel gevreeds; en elk, verslaagen.
Op uw gezicht, beeft voor uw gramschaps wreede vlaagen. Men vreest uw naam alom, ja zelf tot in de hel. Maar als de liefde word verdrukt zo wreed en fel, Zal zy, eêr dat men 't denkt, in haar geboorte smooren. Wie kan met trotsheid ooit behaagen of bekooren? Gy wint door dreigen, schrik, noch gramschap immermeer. De weg, die u naar 't hart geleid, is veel te teêr. Herkules. Ten minste leer my, nu ik moet voor alles schroomen, 't Gelukkig middel om daar eindlyk op te koomen; Licht dat gy deernis kreegt met myn versmaade vlam, Wys, Wreede, my den weg dien Philoctetes nam. Iöle. Die Philoctetes, zo vol aangenaame zeden En goedheid, heeft dit hart nooit met geweld bestreeden. Die Philoctetes heeft in 't stryden my behoed, Bevlekkende zyn arm nooit met myn Vaders bloed. Die Philoctetes, van een zuiv're liefde aan 't blaaken, Zal zyne Gemaalin geenszins wanhoopig maaken. Ja, Philoctetes deugd verwon myn hart en zin, Eêr hy verklaaren dorst zyn ongeveinsde min. Herkules. Nu dat ge my verwyst, zo wreed en zonder vreezen, Om het slagtöffer van eens anders min te wezen, Wordt ik genoopt, om u, die zyt zo trots en fier, Te stellen op de proef. Tegen Lichas. Haal Philoctetes hier. Iöle. Hoe! Vorst. . . . Herkules. 'k Wil u, ô Wreede! in zyn gezicht beschaamen Zo groot een smaad, waar meê gy, tegen het betaamen, My hebt getergt, verwon al myn standvastigheid.
Myn min heeft in myn hart plaats voor de wraak bereid, En, zo 'k myn liefde noch hier door niet kan verwinnen, Zal ik, alleen om u te plaagen, u beminnen. Iöle. Waarom dwingt gy me om u te haaten? Ach! aanschouw, Schoon 'k u niet minnen kan, hoe zeer myn smart uw rouw! Herkules. Die gunst is wreeder als uw afkeer in myne oogen. 'k Begeer alleen uw hart, en niet uw mededoogen. Maar ach! gy schonkt dit hart een ander reeds, en maakt Aan 't myne u zelf gehaat, daar 't zo wanhoopig blaakt. Doch, denk niet, als ik zal ophouden u te smeeken, Dat myn getergde min zal laaten zich te wreeken, En, smoorende al de hoop die me eertyds heeft gevleid, De rust verkiezen in myn onverschillendheid; En, zonder woede of smart, voldaan en wel te vreden, Aanschouwer zyn van uw gehaate tederheden.
Cookies on Poetry Cove