Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Darde tooneel.

Theodora, Ladislaus, Izabelle.

Ladislaus. Wat of u noch ontstelt, ô myn gedachten? Zoud gy de Ondankb're dan noch wel te volgen trachten? Maar, zeg veel eerder, ô myn gramschap! welk een zaak Gy hebt gedaan, verblind in woede, uit spyt en wraak? Aanbiddelyke Ontmenschte! ach! ach! waar vlucht gy heenen? Waar schuilt ge, ô Zon! die straks zo blinkend hebt gescheenen? Myn Zuster, om de liefde, en uit medoogendheid Der traanen, die dit hart, betoverd, bloedig schreid, En aan haar schoonheid noch opöffert: volg de schreden Der Ongevoelige! Ach! en wederhou haar treeden, Zo gy niet wilt dat ik zal sterven van verdriet. Theodora. Hoe! wederhouden, na dat gy haar trots verstiet? Ladislaus. Ik wil haar dwinglandy ten dienst staan, eeuwig blaaken, En dit oproerig hart vervloeken en verzaaken; Haar smeeken, sterven voor haare oogen, buiten raad, Ja, van haar liefde ontbloot, beminnen al haar haat.

En zo 'k van 't kwaad, dat my haar schoonheid geeft, wou klaagen, Klaagde ik van 't goed, dat ik niet waardig ben te draagen. 'k Wil haar verachting zelfs aanbidden, en haar straf Eerbiedig zeeg'nen, steeds waardeeren, tot myn graf. Voor 't minst, dat ik haar zie, mag ik haar nooit genieten. En, schoon myn wensch niet kan 't geliefde wit beschieten, Min ik nocoh d' oorsprong van myn smart; en zy vergroot, Door 't middel dat my moest geneezen in de nood. Kon ik myn gramschap niet voor haar gezicht verbergen? Moest dan myn ongeduld dus trots die Schoone tergen? Myn mond heeft gantsch verkeerd myn hart ten dienst gestaan, En 't is daar van misleid, betoverd en verraân, Terwyl 't haar aanbod, brandde, en scheen van min te sterven. De Hemel wil my door een lot van vuur verderven. Ga heen, myn Zuster . . . . Maar, hoe dus gehold van 't spoor, Verdwaalde Minnaar? keer, leen aan de reden 't oor. Bedenk een oogenblik . . . . Maar, ach! wat kan 't my baaten? Myn Zuster, wilt gy my, in deezen stryd, verlaaten! Theodora. 'k Ga haar weêrhouden. Ladislaus. Ach! 't is vruchtloos. Zaagt gy niet Met welk een hovaardy die trostse my verliet? Met wat verachting zy zich haastede in 't vertrekken? Wat onverzoenb'ren toorn zy dorst aan my ontdekken? Zo 'k dan my zelf weêr voor den bliksem van haar haat En oogen stel; dat waar' haar hoogmoed, woede en smaad Vergrooten, tot myn schand'. Leer my myn drift verwinnen, Of liever ban die Wreede, is 't moog'lyk, uit myn zinnen. Vertoon my, dat haar staat den mynen schande aandoet, En ondersteun in my de glory van uw bloed.

Theodora. Het koninglyke bloed laat zich te licht beroeren, En door de driften van de min ('k beken 't,) vervoeren. 'k Zie u bestreeden van een schrikkelyk geweld, Maar door de moeilykheid verwint men in het veld Van eer en glory, 't welk de schande kan bepaalen. En hy, die tracht om van zich zelf te zegepraalen, Is de overwinning reeds naby: ja, 't hangt alleen Aan zynen wil, geweld doende op zyn zinlykheên. Ladislaus. Helaas! 't is lichtelyk te oordeelen van myn lyden, Uit al de driften, die gelyklyk my bestryden, En op een zelfden tyd vervoeren hart en zin, Nu gints, dan herwaards; nu tot haat, en dan tot min. Maar wat ontroering gy ook ziet, wil toch gelooven, Myn Zuster, dat ik die wel haast zal zyn te boven. 'k Wil meester wezen van my zelf: en, voor myn rust; Haar vryheid geeven om te trouwen wien 't haar lust. En nu haar staat zich niet tot mynen kan verheffen, Zal haar verachting met geen schand' myn grootheid treffen. 'k Vind, in 't verlies van een Meestres, een Onderdaan. Zy, die me in 't slaafsch gareel van haar gezagh deed gaan, Moet onder 't myne zich nu buigen, en beklaagen Haar weigering, waar in zy straf genoeg zal draagen. 'k Wil, eêr myn vlam op nieuw ontvonkt, en my verheer', Gedoogen dat van haar de Hartog triomfeer'. Zyn overwinning zal myn grootste zege weezen; Waar door 'k in eeuwigheid blyf van een min geneezen, Myn koninglyke stam onwaardig. Theodora. Welk een maar! Bemint de Hartog dan Kassandra, Prins? is 't waar?

Ladislaus. Ja, die verborgenheid van haar bedektlyk blaaken, Deed ik alom zo wel bespieden en bewaaken, Dat nu haar minnevlam niet meerder blyft bedekt. Theodora. Helaas! Ladislaus. Ja, deeze min heeft al myn haat verwekt, En niet zyn gunst; schoon die zo groot is en verheven, Dat ik, met recht verbaasd, u mag te kennen geeven, Hoe zyn gezagh byna beneemt al 's Konings magt. Doch, op dat yder weet dat ik haar gantsch veracht, En wat triomf dat ik heb op myn hart verkreegen, Ga 'k zelf den Koning tot haar huwelyk beweegen. Myn Medeminnaar zal 'k haar aanbiên door myn hand, Aanschouwende, met zo veel koelheid, haaren brand, Als de Ongevoelige, om myn hart verwoed te maaken, Voor my getoont heeft in het hevigst van myn blaaken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove