Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Zeende tooneel.

Herkules, Iöle, Philoctetes, Lichas, Dirce.

Herkules. Prins, gy hebt door de liefde op my gezegepraalt. Maar denkt gy lang deeze eer, zo groot, zo onbepaald, Te houden? en dat ik my laaten zou ontëeren, En, zonder wraak, my zien door zulk een hoon braveeren? Philoctetes. Neen, Vorst, nu Iölé uw min om my veracht, Zo is'er niets waar door uw gramschap word verzacht. 'k Moet my bereiden om voor haar gezicht te sterven. Maar zoude ik ooit wel een gewenschter lot verwerven? Hoe meenigmaal dat ik myn leeven heb gewaagt

In 't midden van den stryd, 't heeft nooit de Goôn behaagt Dat ik 't verliezen zou: en in zo veel gevaaren Geliefde 't hun om my tot deezen dag te spaaren, Op dat ik dienen zou tot een slagtöfferhand' Der liefde, en sneuv'len in zo aangenaam een brand. Iöle. O Hemel! Herkules. Ja, gy zult, gelyk gy 't hebt geraaden, 't Salgtöffer zyn der min, die zy durft stout versmaaden. Doch denk niet dat hier meê myn wraaklust is verzaad, Die met uw dood alleen zich niet bepaalen laat. Philoctetes. Ach! ik kan door myn moed geenszins myn vrees verzaaken. Gy vond allen 't gehiem dat my beschroomd kan maaken. Nu Herkules op myn Prinses zich toont verwoed, Zo stoort een storm van vrees de rust van myn gemoed. Wreek u op 't hart van een gelukkig Medeminnaar, Wiens onuitlesb're vlam van de uwe wierd verwinnaar; Maar, ach! dat Iölé geen deel hebbe in de wraak. Doch als zy geenszins is te scheiden van myn zaak, Zo zie eerst wel aan wie ge uw gramschap zult betoonen. Wil, met de Onnoos'le, uw hart van naberouw verschoonen. Blusch in myn bloed uw haat: daar 's niets dat u belet. Myn Heer, waar wacht gy na? Iöle. Neen, door de zelve wet Sterve ik voor u, zo gy voor 't myne laat uw leeven. Tegen Herkules. Gy zoud op zyn besluit vergeefs uw vonnis geeven. 'k Sterf door één slag met hem: straf my: ik ben bereid. Herkules. Neen, neen, in weêrwil van zo groot een tederheid.

Zal deeze dag myn trouw, of zyne dood beschynen. Iöle. Hoe! wilt gy dan, myn Heer, door duizend wreede pynen. . . . Herkules. O ja, Mevrouw, ik wil dat gy my trouwen zult. Schik u hier naar, of, tergt gy langer myn geduld, Uwe oogen, om terstond uw Minnaars dood te aanschouwen. Iöle. O Goden! moet ik hem zien sterven, of u trouwen? Herkules. Ja, 'k wil dat gy tot een van deeze twee besluit, Eêr dat myn gramschap u een wreeder vonnis uit'. Licht dat gy morgen daar zult al te laat naar trachten. Philoctetes. Prinses, verwerp die keur, onwaardig uw' gedachten. Laat ik veel liever zyn 't slagtöffer op myn beê; Want als ik u verlies, verlies ik 't leeven meê. Kom, Herkules, wil straks myn vonnis onderschryven. Myn dood, hoe heerlyk, zal niet ongewrooken blyven. O Goôn! wat wraak voel ik! nu dat hy word versmaad Van haar, die my zo trouw bemint als zy hem haat. Iöle. Neen, neen, ik tart de dood om uw hoogwaardig leeven. . . Herkules, tegen Iölé. Dat my uw antwoord straks door Lichas werd' gegeeven, En reden waarom dat ik word zo wreed veracht. Ga. Tegen Lichas. Dat de Prins in zyn gevang'nis werd' gebragt.

Einde van het Darde Bedryf.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove