Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Darde tooneel.

Prusias, Nicomedes, Flaminius, Araspes.

Flaminius. Reisvaardig wezende, doet my de Raad verstaan, Dat ik aan u noch een verzoek heb voor te draagen.

Gy zult op 't hoogst, door uw toestemming, ons behaagen. 't Is Romen, die den Zoon van uw doorluchtig Bloed Heeft twintig jaaren lang zorgvuldig opgevoed. Gy kunt de vruchten van dien arbeid klaar ontdekken In zyne deugden, en uw Stam uit de eed'le trekken Van zyn gelaat: hy 's ook in staatkunde uitgeleerd. Indien u dit behaagt, zo maak dat hy regeert. Dit 's Romens bede: en wat misnoegen zou 't haar geeben, Wanneer gy hem, gelyk een Onderdaan, liet leeven! Maak dat ik heden hem mag zeggen, in wat Staat Dat hy zal Koning zyn. Prusias. De zorgen, die de Raad, En 't volk van Romen voor zyn eer en welstand stelden, Zal 't Vaders hart nooit met ondankbaarheid vergelden. 'k Geloof, hy is bekwaam tot heerschen, en daar aan Sla ik geen twyfel, na dat gy 't my deed verstaan. Maar gy ziet hier, myn Heer, den Prins zyn' ouder Broeder, Wiens dappere arm myn Staat verstrekt voor een' behoeder, Daar hy my driemaal kroonde: en heden legt hy weêr Een nieuwe zegekroon voor myne voeten neêr. 'k Ben eenige eer aan hem verpligt. Wil dan gedoogen, Dat hy 't geluk geniet om u, voor my, te moogen Antwoorden op uw eisch. Nicomedes. Het staat aan u een Kroon Te geeven, als 't u lust, aan Attalus uw Zoon. Prusias. Deeze eisch raakt uw belang. Nicomedes. En 't uwe zal my heden Alleen doen spreeken. Op wat grond en schyn van reden

Moeit Romen zich, daar gy noch leeft, met uw Gebied? Regeer zo lang als gy 't geliefde licht geniet. Laat Romen, en Natuur dan twisten, na uw leeven. Prusias. Zo groote Vrienden moet men geen misnoegen geeven. Nicomedes. Die uwe Staaten poogt te deelen, wenscht uw dood, En, volgens Staatsbelang, is zulk een Bondgenoot. . . . . Prusias. Wil u met meer ontzagh voor Romen laaten hooren, En niet de vriendschap van ons Bondgenootschap stooren. Nicomedes. Ik kan geen Koningen, dan met ontsteltenis, Voor hen vernederd zien; en hoe de Zoon ook is, Die Romen aan u gaf, 'k zou, zonder achterdenken, Deeze eed'le gift aan haar, met blydschap, wederschenken. Zo zyn gezicht zo zeer in staatkunde is verklaard, Waarom zo schoon een schat niet voor haar zelf, bewaard, Om, door die kostelyke opvoeding, hem te geeven Het Burgermeesterschap? Flaminius, tegen Prusias. Hoe meer ge ons hoort weêrstreeven, En hoonen, hoe men meer den aart van Hannibal, Die touw'loos Romen haatte, in hem ontdekken zal, En wat hy van hem leerde. Nicomedes. O neen! 'k ben onderweezen, Van hem, dat ik uw Staat moest achten, maar niet vreezen. 't Strekt my tot eer dat ik zyn Leerling heeten mag. En als Flaminius, met zulk een klein ontzagh, Des grooten Hannibals verdiensten aan durft randen, Kon 't wel eens zyn dat ik afëischte van zyn handen

Myn Meesters leeven, die, vervolgd van zyn geweld, Zyn uiterste uitvlucht heeft in het vergif gestelt. Hy kan ook wederom herroepen in zyn zinnen, Hoe deeze Held, juist met zyn Vader te overwinnen, Heeft over Romen met geluk getriomfeert. Flaminius. Die hoon is al te groot. . . . Nicomedes. Waar meê ge een Doode ontëert. Prusias. Verwek geen twist, maar spreek op 't geen my komt te vooren. Nicomedes. Wel aan, ik laat my op een and're wys dan hooren. Ja, Attalus behoort te heerschen: Romen acht Dit nodig; en terwyl het heeft al de oppermagt, Zo voegt het Koningen, wanneer zy zulks begeeren, 't Gehoorzaam zyn, en haar beveelen te waardeeren. De Prins is dapper en grootmoedig, ja, hy blaakt In deugd en Majesteit, die een groot Koning maakt; Maar wie kan een Romein straks op zyn woord betrouwen? Laat ons de waarheid dan hier zelf eerst van beschouwen: Laat hem uw Heir gebiên, op dat dit blyken mag, En voor zich zelf doen, dat ik deê voor uw gezagh. Dat hy dan, over zyn gewonnen Koningryken, Met lof regeere, en zyn verdiensten elk doe blyken. Hy kroone zelf zyn hoofd door dapp're heldendaân: 'k Leen hem hier toe myn arm, om onder hem te staan, Als Veldheer, zo hy my deeze eer zal waardig keuren. Men zag voorheen dit in den Roomschen Staat gebeuren. 't Was Scipio, die voor zyn Broeder trok te veld: En, als Antiochus was door dees Oorlogsheld, Gebliksemd van zyn troon, heeft hy, van elk gepreezen,

Zyn' jonger Broeder zelfs gehoorzaamheid beweezen. De ryke Egeesche zee, het Hellespontsche strand, En 't overige, dat van Asië aan ons Land Noch grenst, kan een ruim veld aan zyne staatzucht geeven. Flaminius. Al wat in Azië noch over is gebleeven, Heeft Romen onder zyn bescherming; en gy zult, Zo ge uw triomfen meer uitbreiden wilt, de schuld Van een verwoede orkaan des oorlogs op u trekken. Nicomedes. 'k Weet hier op u den zin des Koninings niet te ontdekken, Maar wel, indien 't gebeurt dat niets myn wil weêrstreeft, Men dan zal zien wat kracht deeze uw bedreiging heeft. Doch midd'lerwyl kunt gy die plaatsen doen versterken, En my verhind'ren in myn opzet uit te werken. Ruk uw Hulpbenden zaam: verzuim uw voordeel niet. En zo Flaminius, als Veldheer, het gebied Daar over voert, zo waar heel licht voor hem gevonden Een Trasimeener Meir. Prusias. Gy hebt te haast geschonden Myn gunst en goedheid, Prins. 't Recht van een afgezant Eischt meer eerbiedigheid. 't Gezagh, in uwe hand Gegeeven. . . . . . . Nicomedes. Laat my toe, myn Heer, dat ik mag spreeken; Of laat my zwygen. Hoe! kan ik de magt zien breeken Eens Konings? en voor hem, en de eer der Majesteit Antwoorden, anders dan naar eisch van 't onbescheid? Prusias. Gy hoont my zelf, door zulk een spreeken. Wil betoomen De drift, die u vervoert.

Nicomedes. Hoe! is 't zo ver gekoomen, Dat ik uw Staat moet zien bepaalen, en de hoop Van myn verwinningen in 't midden van haar loop? Dat gy word stout gedreigt? En zoude ik dan niet moogen Met wederdreigen dit vergelden, voor uwe oogen? Of moet ik hem dan noch bedanken, om dat hy Zo openhartige verklaaring doet aan my, Dat ik niet ongestraft myn zege zal vervolgen? Prusias, tegen Flaminius. Myn Heer, verschoon de drift der jeugd, te licht verbolgen. De reden brengt hem door den tyd haast tot zyn pligt. Nicomedes. 'k Voel, door de reden, reeds geöpend myn gezicht, En 't zal, door ouderdom en tyd, noch meer verklaaren. Zo ik in ledigheid versleeten had myn jaaren, Gelyk myn Broeder, en geen and'ren heldenmoed, Noch deugd, noch eer, dan die de inbeelding in ons voed, Of een verwond'ring van de Roomsche heldendaaden, Voor zyn gezicht gekroond met lof en lauwerbladen, Zo had dan Romen licht uw Kroon my toegelegt, Zo onverdeeld, als die aan myn geboorterecht Behoort: men zou in haar zo groot een zorg niet speuren, Om Attalus, voor my, ten rykstroon op te beuren, Indien myn krygstriomf niet waar zo groot geweest; Terwyl dat Romen is bekommerd en bevreesd, Nu 'k aan Bithinië noch bragt drie Koningryken, Dat zo veel magt, by een, de haare mogt doen wyken: Die stracht zy die van een te scheiden. Dit 's de reên Waarom dat Attalus moet heerschen; en, alleen, Zo groot een deugd heeft, die ze in top van waarde haalen; Ja, hem verheffen, kan het slechts my eer doen daalen,

By Alexander: dies behoorde ik af te staan Myn erfrecht, of het loon van myn beroemde daân, Op dat hy, in myn plaats, tot Koning wierd verheven. Maar, 'k dank de Goden, die zo groot een lot my geeven, Dat de onderneeming van myn moed, en heerschappy Die 'k wacht, het voorwerp is der Roomsche jaloezy. Gy kunt, Heer, als gy wilt, hen licht hier van geneezen; Maar, denk niet, dat het zal met toestemming wezen. Ik leerde nooit zo groot een lafheid. Die myn jeugd Bestierde, wees my 't spoor der waare heldendeugd. Flaminius. Gy hebt, naar 'k merk, Prins, voor uw eigen waardigheden, Belang en baatzucht, meer dan voor uw deugd, gestreeden; En 't allerpryslykst van uw wapens uitgerecht, Is, dat ge op 't hoofd van een verouden Vader legt Den last dier zege, en als bewaarder in zyn handen Stelt uw verwinningen; dewyl dat gy de Landen, Die ge aan zyn Kroon bragt, u alleen hebt toegeleid. Neen, 'k waande dat uw deugd en edelmoedigheid Meer naar de daaden der Romeiene zou gelyken, Die nooit henzelf van hun verwinningen verryken. De groote Scipio, dien gy zo hoog waardeert, Heeft van Karthage, dat hy won, niets meer begeert Dan de eer, en bynaam, ter gedachtenis dier zegen, Van Africanus, schoon 't hem alles vloeide tegen. Doch die voorbeelden zyn alleen in 't Roomsch Gebied Te vinden; 't oov'rig deel des Aardryks kent die niet: En wat uw Staatkunde aanbelangt, die u gedachten Te geeven schynt, als of wy vreesden voor de magten Van zo veel kroonen, die ge in één smelt; laat u raân Van hen, die in den grond het staatgeheim verstaan. Zy zullen uw verstand geneezen van gebreeken,

En zulk een valsche waan. 'k Zal daar niet meer van spreeken, Uit een ontzagh, dat ik den Koning draag. Neem tyd Tot uw bedenking; en, zo gy te raaden zyt, Moet gy uw oorlogsvuur voortaan niet meer bekleeden Met rook en nevels van zo veel laatdunkendheden. Zo zult gy eindelyk uw oogen zien verklaard. Nicomedes. De tyd geeft d' uitslag, die eerlang ons openbaart, Of 't geen ik zeg gegrond op weeten is, of waanen. Indien. . . . . . Flaminius. Indien gy zyt geneigd den weg te baanen, Met uwe wapenen, tot de uiterste oorlogsëer, Wy zullen nimmer u bepaalen. Maar, myn Heer, 't Is elk geoorloofd voor zyn Vrienden zorg te draagen; Hen voor te staan, ten trots van die 't ook mogt mishaagen: En, zo gy dit noch niet verstaan kunt, 'k ben bereid Om 't u te leeren wat hier in verborgen leid, Op dat u dit zo vreemd niet zou ter ooren koomen. Voor uw rechtvaardig deel behoeft gy niet te schroomen: Het Ryk van Pontus, en Galatië moogt gy, Met Kappadocië, en Bithinië, uit de ry Van uw Voorvaderen gedaald, alleen regeeren. O neen! men komt geenszins voor Attalus begeeren 't Loon van uw zweet en bloed. Doch nu 't een misdaad strekt, Dat Romen omtrent u slechts in bedenking trekt, Om hem hier eenig deel in 't ryksgebied te geeven, Zo zal ze uw wil, myn Heer, hier in niet tegenstreeven, Noch in uw recht misdoen. Hy zal als Vorst gebiên, En zonder dat gy zult uw Staat verminderd zien. Tegen Prusias. De Koninginne van Armenië moet heden,

Met eenen Bruidegom, op's Vaders rykstroon treeden. Neem die gelegenheid, zo schoon voor hem, in acht, Terwyl gy over haar 't gezagh hebt en de magt. Nicomedes. Zie daar 't geheim, waar door hy kan een Kroon bekoomen, En zonder dat 'er iets van 't myne word genoomen. Die vond is teder; maar zo loos niet, of, verlicht Door zulk een omweg, noch veel klaarder myn gezicht. 'k Zal my hier op, zo kort als 't moog'lyk is, verklaaren: Gy zult in die Prinses het heilig recht bewaaren Eens Koningins, gelyk zy is; of 'k zal 't met moed Handhaaven, schoon 't ook waar' ten kosten van myn bloed. Ik waarschouw u, dat gy haar recht laat ongeschonden, En zeg, dat nimmermeer de Koningen gebonden Aan wetten zyn, schoon dat zy leeven in uw Staat: Dat gy haar dan haar keur alleen behouden laat. Prusias. Hebt gy niets anders, Prins, met d' Afgezant te spreeken? Nicomedes. Neen, of de Koningin moest myn geduld verbreeken. Prusias. Hoe! stelt ge u tegen haar? ô Welk een stout bestaan! Hoe ver zal eind'lyk uw baldaadigheid noch gaan? Nicomedes. Niet verder als om my te zwygen te verplighten, Of myn stilzwygen af te breeken: 'k zal nooit zwichten. Ik waarschouw u noch eens, dat Laodise zy Als Koningin geächt, van alle wetten vry. Ik ben't, die dit verzoek.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove