Vierde tooneel. Kassandra, Ladislaus, Alexander, Frederik.
Ladislaus, tegen Kassandra. 't Schynt dat ik myn wensch haast zal ontfangen, Hier aan te twyf'len was u ongelyk gedaan. By twee Vertrouwden zo vervoerd van geest te staan, Die voor myn liefde en myn belang geduurig waaken! Zy spraaken u gewis in 't voordeel van myn blaaken. Kassandra. 't Ontëerde uw staat zo gy met my spraakt van de min, Zo zeer van u gehaat, dat gy uit uwen zin, Voor eeuwig, wischt den dienst, dien gy me ooit hebt gegeeven, Waar van de schaamt' noch op uw voorhoofd staat geschreeven, Die een verbond zelfs met uw hart en oogen sloot, Om my te schuwen als 't aanschouwen van de dood. Ladislaus. Gy openbaart hier uw hoogmoedige gedachten, Met dit rechtvaardige besluit heel weinig te achten; En uw hovaardigheid eischt licht, in dit geval, Dat ik het met de drift der min verschoonen zal; Doch, zo 'k myn oordeel mag opweegen met de reden, 'k Zie weinig stof in u tot die laatdunkendheden, Noch geen bevalligheên die zyn een scepter waard. Uw toverend gezicht, dat nooit zyn krachten spaart, Heeft, spyt uw list, voor u gemaakt noch weinig slaaven. De stoute trotsheid die gy toont voor uwe gaaven, Maakt dat nooit iemand liefde of achting voor u heeft, Behalven een, wiens hart zich lichtlyk overgeeft:
Dies heeft uw magt niet veel verwinnigen verkreegen; En ik, die vaardig ben tot liefde te beweegen, Beken myn zwakheid; ja, ik wierd door u bekoort, En 't heeft myn hart byna door moeite zorg vermoort. Maar gy had redenen genoeg om niet te denken, Dat ik u, met myn echt, de hoop der kroon zou schenken. 't Belang van staat, dat met myn noodlot zaamen spant, Vond geen gelykheid met myn spooreloozen brand: Doch myn vermoogen heeft nochtans 't geluk ontbrooken; Gy wederstond myn drift, en hebt u dus gewrooken. Maar de eer daar van is klein; want zo ik met geweld Myn magt had tegens al uw weig'ring aangesteld, En 't laf ontzagh, dat my noch slaafsch weêrhield, geschonden, Welk een vernoegen had myn hoop en wensch gevonden? En, de overwinning u ontroovende met kracht, Had ik getriomfeert, in spyt van al uw magt. Doch 't was niet waard dat ik hier meê my zou besmetten, Noch minder om u met myn staat gelyk te zetten. Zie daar myn liefde voor uw oogen klaar ontdekt, Zo gy meer glory voor uw hoogmoed daar uit trekt, Vleit gy u zelfs vergeefs. Ja 'k doe u, eind'lyk, hooren, Dat myn begeerte is met myn hoop gelyk verlooren; En om te toonen met wat onverschillendheên, Dat ik een drift verlaat die my zo waardig scheen, Wil ik u langer hier aanschouwen noch gedoogen, 'k Weerhoude u niet. Breng haar, myn Broeder, uit myne oogen. Gy, Hartog, blyf hier. Kassandra, geevende de hand aan Alexander. Mogt deeze eed'le gramschap my Noch lang ontslaan van zyn verwoede dwinglandy! O welk een vreugd!, wat rust zou die myn hart verwekken!
Cookies on Poetry Cove