Vierde tooneel.
Herkules, Dianira, Lichas, Phenice.
Dianira. Myn tegenwoordigheid Kwetst moogelyk 't gezicht van uwe Majesteit. Gy wilt dat ik vertrek; 't is ook by my beslooten, Zo dra ik heb 't vermaak van u te zien genooten. Doch weigert gy my dit, ik neem geduld: 't is wel, Ik zal gehoorzaam zyn, myn Heer, aan uw bevel. En wie, wie kan den last van Herkules weêrstreeven? Doch nu dat alle hoop is uit dit hart gedreeven, En gantsch Echalië myn ramp weet, en beklaagt, Daar alles van de pracht der nieuwe staatsi waagt, Waar meê uw min zal een volmaakter huw'lyk kroonen, Zo wilt ge, om myn gezicht zorgvuldig te verschoonen Van zulk een lydig leed, dat ik gehoorzaam. Maar Ik weet geen smart zo groot, zo moeilyk, en zo zwaar, Als dat ik scheiden moet van u; ja, al myn plaagen Zyn my zo groot niet, als deeze eene is, om te draagen. Herkules. Hoe! brengt de liefde u tot deeze overmaat van rouw? Maar hebt ge op zulk een wys u straks verklaart, Mevrouw? Waar 's die verandering zo schielyk uit gekoomen? Dianira. Van u te scheiden is al de oorzaak van myn schroomen. Doch nu myn gramschap, spyt en woede niets verwon, En dat myn wanhoop u geenszins beweegen kon, Zo zal ik, tegen zo veel bittere ongenuchten, My niet meer wapenen, dan moet onnooz'le zuchten, Waar meê 'k beöoreloog uw liefde in uw gezicht.
Myn Heer, 'k geef my geheel weêrover aan myn pligt. 'k Was lang te fier. Doch, waar zou ik noch fier op wezen? Op uwe min tot my? daar zyt gy van geneezen. Op myn bekoorlykheid? een nieuwe won uw hart. Herkules. Ik bid, verberg voor myn gezicht uw teed're smart. Wil u, al vluchtende, van een Ontrouwen wreeken; Van een Gemaal, die u niet waardig is te spreeken; Die zich zichzelf ontrukt, als hy zich u ontrukt. Zie myn ontroering, en hoe zeer my de uwe drukt. . . . Dianira. Wel aan; waar zal 'k my, om uw liefde te genoegen, En myn beklaag'lyk lot te draagen, heenen voegen? Naar Kalydon? Helaas! welk een ontzagh zal ik Genieten van een volk waar voor 'k zelf beef en schrik? Wat glans, wat eer heb ik? Nu 'k ben van u verlaaten, Verlaat my alles, en geen grootsheid kan my baaten. 'k Behou van al myn roem, en naam, zo wyd befaamd, Niets dan 't geheugen, dat myn pynt en maakt beschaamd. Gedoog dat ik hier blyf geboeid aan uw' belangen. Uw nieuwe Gemaalin zal nimmer stof ontfangen Van my tot minnenyd; maar, myn verkleende staat Haar grootheid vleijende, versmooren allen haat. Ja, 'k tracht, als 't eenigste geluk van al myn dagen, Niets anders dan naar de eer dat ik haar mag behaagen; Voor eeuwig wezende vernoegd, zo 'k, met ontzagh Haar trouw'lyk dienende, u myn liefde toonen mag. Herkules. Is 't moog'lyk? Waar toe voert de minnedrift uw zinnen? Gy zult meestres zyn van uw lot! 'k Voel my verwinnen, En door den wroegende bekommering doorgriefd. Mevrouw, doe met u zelf al 't geen dat u belieft;
En eind'lyk, nu ik kan myn yd'le vrees verdryven, Wil, als Vorstinne van Alcides, gaan, of blyven. Maar wyt het ongelyk, dat ik u doe, de Goôn. Dianira. Ach! had myn min 't geluk dat ik den grooten Zoon Van Jupiter, gelyk voorheenen, kon bekooren! Hy zou zich weinig aan den haat van Juno stooren. Dit waar niets nieuws voor u, die alles overheert. Ja, in uw wieg hebt gy haar moedig getrotseert, Als gy twee slangen bragt om 't leeven met uw handen. Hoe veel tyrannen en gedrochten, fel van tanden, Door Junoos wrok verwekt, versloegt gy onvervaard! Ge ontweekt haar nooit, wat ramp dat zy u heeft gebaart, Dan om myn trouwe min dus ongetrouw te hoonen. Nooit was uw hand moê, al die vocht om zegekroonen, Dan daar gy moest myn hart bewaaren. Is 't gedaan! Wat zeg ik? Hemel ach! myn min heeft my verraân! Maar deeze slag zal zyn de laatste van myn leeven; En, waar toe dat ik ook werd' door myn hoon gedreeven, 'k Vergeet, is 't moog'lyk, dat Alcides my verlaat!
Cookies on Poetry Cove