Tweede tooneel.
Klytemnestra, Orestes, Pylades.
Klytemnestra. 'tIs u bewust hoe gy my hebt vergramt, myn zoon. Maar dit is niets: 'k vergeef licht aan myn bloed dien hoon,
En kom noch voor het laatst, gantsch tot uw heil genegen, Bezoeken of ik u kon tot uw pligt beweegen. Gedenk met welk een zorg ik u heb opgevoed In uwe teed're jeugd, als 't heerlykst van myn bloed. Wat waar't een vreugd geweest, had ik by 't roemryk leeven Myns Echtgenoots, aan hem in de armen mogen geeven Een zo doorluchten zoon als hy in u zou zien Maar 'k zag my door zyn dood die zoete hoop verbiên. 't Is waar, de kroon is u door erfrecht toegevallen Maar midd'lerwyl roept elk, de oproerigste voor allen, Dat in dit ryk Egist moet praalen met de kroon. Doch vrees niet dat dit ooit geschieden zal, myn zoon. Ik ben uw Koningin en Moeder: 'k zal de wetten En al 't bestier des ryks, in uwe handen zetten. Maar 't is ook noodig dat uw krooning en die pracht Zy door een grooten echt meer luisters toegebragt. Aanschouw de Dochteren dier Vorsten, welke streeden Voor 't heil der Grieken, van uw Moeders staat en zeden. Men dingt voor elk om 't meest naar uwe trouw of staat. Kies, kies dan deezen dag; trouw morgen, op myn raad, De Ryksprinces van Krete, Atheenen, of van Sparten: Zo zal uw groote faam alle andre glori tarten. Ik zal met dit beding 't volkomen ryksgebied Opöffren aan uw magt. Maar mor hier tegen niet. Ik weet myn pligt tot u en al de Grieksche steden, Uw onderdaanen, en myn eigene achtbaarheden. Orestes. Ik merk uw Staatsbelang, tot myn geluk bereid. 'k Voel voor u achting, liefde, en trouwe dankbaarheid. Doch 't waar een slecht bewys, en 't zou myn glori drukken, Indien ik u den staf durfde uit de handen rukken. Gebiê het Ryk, Mevrouw: denk niet, in dit geval,
Dat ik my immermeer uw magt onttrekken zal. Een Koningin als gy heeft meer verdienste en magten Als groote Koningen, hoe onbepaald in krachten. De Staat zal nimmer met geboden zyn belaân. Moet hier een Koning zyn? Ik neem dien eernaam aan: Maar 't recht van oppermagt verblyve in uw vermoogen. Gy zult myn volk staâg voor uw voeten zien geboogen, En tevens in my zelf (ik zweer het by de Goôn,) Een need'rig Onderdaan, verheven tot de kroon. Maar wat kan hier myn echt toch zo noodzaaklyk maaken, Dat gy my dien verbeeld als 't noodigst aller zaaken? Want zonder dit besluit verwint men wel 't verraad. 'k Volg Agamemnons spoor en voorbeeld in dien staat. Het was zyn arm, en niet zyn huwlyk, die met vechten Arkadië, Korinthe en Sicyon kon hechten Aan zyne kroon. En word 'er iets door my verricht, Ik blyf het niemand als myn dapperheid verpligt. Klytemnestra. Geef and're reên aan haar die weet uw hart te ontdekken. 'k Zie uw genegenheid noch tot Kassandra strekken. Orestes. Is 't dan een misdaad, dat ik my verwinnen liet Door sulk een Schoonheid? en dat zy myn ziel gebied? Een onvermydlyk lot verpligt my haar te minnen. Klytemnestra. Dat onvermydlyk lot is lafheid van uw zinnen. En uwe keur te doen uit onzes vyands bloed Is schandelyk voor myn, en laf voor uw gemoed. Orestes. Veracht ge, ô Koningin! die Schoone, zo verheeven, Zo groot van staat als gy, en van doorluchtig leeven? Gy, Moeder, doemt gy dan de zwakheid van uw Zoon,
Verliefd op een Prinses, zo heerlyk, fier en schoon? Gy, staâg voor my zo goed, voor yder zo rechtvaardig? Klytemnestra. Ik ben noch staâg voor u zo teder als goedaardig. Maar gy, Ondankb're, wilt ge, in spyt van myn besluit En wil, noch die Slavin verkiezen tot uw Bruid, Daar ik haar eeniglyk veracht om uw belangen? O Goôn! zoude ik u zien voor huwlyksgift ontfangen Haar traanen, boeijens, en een droevig overschot Van stukken, noch gered uit een rampzalig lot? Orestes. Zoud ge om haar ongeluk haar minder minlyk waanen? Zou deugd door boeijens, zou een schoon gelaat door traanen Geen deernis baaren in een ziel van eed'len aart? Ja, om haar ongeluk is zy my meerder waard. Wat vreugd zou 't zyn, zo 'k haar elende kon verzachten! Maar gy, gy haat haar. Klytemnestra. 'k Moet haar haaten en verachten. Dat ben ik schuldig, en gy ook, zo wel als ik. Orestes. Moet ik, om u, die 'k min dan haaten? Ach! is schrik. Waarom toch? Klytemnestra. Denk dat ze is een Trojaanin gebooren. Denk hoe haar Broeder kwam gantsch Griekenland verstooren; Die laffe Paris, die vorst Menelaus vrouw, Heleen, myn Zuster, schaakte, en brak zyn echte trouw: Hoe 't Grieksche heyr, om zich naar Azië te spoeden, Het slagtmes op den hals myns Dochters moest zien woeden: Hoe onze Helden door Trojaanen zyn vermoord, En hun Verwinnaar, met myn Gade, in zee gesmoord.
En gy, gy zoud uw hand aan die Kassandra geeven, Die zulk een schandlyk bloed voelt door haar aad'ren zweeven? Neen, dat zy eêr ten roof van haare smarten zy, Met haar voorzeggingen, vervuld van razerny. Wil niet in 't haatlyk bloed, dat u in schand' zou brengen, Lafhartig 't schoonste bloed van Aarde en Hemel mengen. 'k Zie dat ge my, Ondankb're! aanhoort met tegenzin: Maar 'k zeg noch eens: Regeer, en kies een Koningin; Of door myn huwelyk zal ik een Koning maaken. 'k Vermag hier meer dat gy. Zie, zie uw val genaaken. Het outer is bereid, het offer opgesierd: 't Is al gereed waar meê men zulk een trouwfeest viert. ô Wreede! wilt ge u dus zien van de kroon ontzetten? Orestes. Neen, 'k zal een zo snood een' echt (dat zweer ik) wel beletten. Ik zal. . . . Klytemnestra. Baldaadige, gy durft my dreigen? Goôn! Orestes. Vergeef de oploopendheid, Mevrouw, van uwen Zoon. Myn eed'le gramschap wil maar op Egistus doelen: Die Ryksverraader zal alleen myn wraak gevoelen. Zo lang gy Griekenland als Koningin gebied Ontslaat uw Zoon zich zelf van uw geboden niet. Maar eêr ik toeliet dat m'er in met u zou deelen, Verging het Ryk, en hy in bloedige krakkeelen. Ik ga. Gy, denk hier op.
Cookies on Poetry Cove